Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/10.3.4
10.3.4 Vordering uit afgebroken onderhandelingen als niet-contractuele verbintenis
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298221:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Opvallend is in dit verband wel dat daar waar in de Verordening wordt gesproken over het begrip 'onrechtmatige daad' (zie bijv. art. 4), in art. 12 niet wordt gesproken over een verbintenis uit onrechtmatige daad, maar over een 'niet-contractuele verbintenis'. Wellicht heeft de Europese wetgever hiermee aan art. 12 een extra ruim toepassingsgebied willen toekennen, teneinde daaronder ook gevallen te brengen van afgebroken onderhandelingen waarbij de bron voor aansprakelijkheid in dat kader niet onrechtmatige daad, maar bijv. een andere, zoals ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling of redelijkheid en billijkheid is. Duidelijk wordt dit in elk geval niet uit de tekst van art. 12. Zie verder Volders, 2008, p. 468 waarin hij ten aanzien van de gemaakte keuze voor culpa in contrahendo opmerkt: 'The usage of a concept such as culpa in contrahendo in a Community law instrument, although it originates from German substantive law, should in any effect not be mistaken with its German counterpart, may give rise to some salient interpretational difficulties before its substantive scope being well-defmed and clean. The global grouping of all liability claims arising out of dealings prior to the conclusion of a contract into the substantive realm of the Rome II Regulation, seems furthermore at square with the principal of party autonomy and departs from the positron that is taken by the European Court of Justice in its tacconi decision and by the majority of national (substantive) laws.'.
Het beperkte toepassingsgebied van art. 12 Rome II brengt met zich dat dit artikel niet ziet op schade die in de precontractuele fase wordt veroorzaakt aan persoonlijke eigendommen van één van partijen. In dat geval, maar ook bij letsel opgelopen tijdens de onderhandelingen, blijft de verordening Rome II overigens wel gewoon van toepassing; in dergelijke gevallen gaat het immers om niet-contractuele verbintenissen waarop dan het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de in art. 4 opgenomen conflictregel of een andere voor toepassing in aanmerking komende alternatieve conflictregel uit de verordening, maar niet op basis van art. 12, waarvan de conflictregel vóór die van art. 14 gaat. Zie Ibili 2008, p. 1013 en de daar aangehaalde literatuur.
Wat allereerst opvalt, is dat de Europese wetgever spreekt over een niet-contractuele verbintenis en daarmee een duidelijke keuze lijkt te hebben gemaakt voor wat betreft de grondslag voor een aanspraak uit afgebroken onderhandelingen.1 Eén van de consequenties van het uitgangspunt dat een verbintenis die voortvloeit uit onderhandelingen2 een niet-contractuele is, is naar mijn mening, gezien de verbondenheid die op grond van de preambule blijkt te bestaan met de EEX-Vo, dat de alternatieve bevoegdheid onder de EEX-Vo niet gestoeld zal kunnen worden op art. 5 lid 1 sub a EEX-Vo (dat ziet op verbintenissen uit overeenkomst), maar gestoeld zal moeten worden op art. 5 lid 3 (alternatief bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen). Dit is in elk geval al een grote stap voorwaarts. Toch laat de gekozen formulering in art. 12 lid 1 wel ruimte voor interpretatie. De tekst spreekt immers van een verbintenis die voortvloeit uit onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst. Met andere woorden: verbintenissen die ontstaan totdat de contractuele fase intreedt. Daarmee rijst dan de vraag naar welk recht beoordeeld dient te worden wanneer de contractuele fase (voor zover de aanwezigheid daarvan door een van partijen wordt gesteld) intreedt. Deze vraag dient in beginsel te worden beantwoord op basis van het EVO (straks dus: Rome I). Daarbij is denkbaar dat in de verschillende Europese jurisdicties anders wordt gedacht over het antwoord op de vraag wanneer de contractuele fase (naar Nederlands recht: de fase van de rompovereenkomst) intreedt. Is dat bijv. naar het recht van land A in een later stadium dan volgens het recht van land B, dan is de consequentie daarvan dat de alternatief bevoegde rechter in het eerstgenoemde geval moet worden aangewezen op grond van art. 5 lid 3 EEX-Vo, terwijl in het laatst bedoelde geval de alternatieve bevoegdheid van de rechter voortvloeit uit het bepaalde in art. 5 lid 1 EEX-Vo.