Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.2.1.1
VI.2.1.1 Benadering van de ECieRM
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596289:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ECieRM 3 oktober 1978, nr. 7986/77, dec. (Krause/Zwitserland).
Bij eerdere klachten die faalden op grond van het criminal charge-vereiste, was van een criminal charge nooit sprake geweest, zie ECieRM 13 december 1965, nr. 1983/ 63, dec. (X./Nederland) over een uitzettingsprocedure en ECieRM 23 juli 1971, nr. 4523/ 70, dec. (X./Bondsrepubliek Duitsland) over een vergoedingsprocedure voor door het nazistisch regime veroorzaakte schade.
In ECieRM 6 oktober 1981, nr. 9077/80, dec. (X./Oostenrijk); ECieRM 8 mei 1987, nr. 1191/86, dec. (S.M./Oostenrijk) Beide keren faalde de klacht omdat de betwiste bejegening geen finding of guilt inhield.
Zie ECieRM 4 mei 1993, nr. 13616/88, rep., par. 85 (Hentrich/Frankrijk), resp. ECieRM 20 mei 1992, nr. 13126/87, rep., par. 36 (Sekanina/Oostenrijk). De overweging is veelvuldig herhaald. Zonder volledig te zijn, noem ik: ECieRM 30 november 1992, 16697/90, dec. (U.P./Zwitserland); ECieRM 12 januari 1994, nr. 18411/91, dec. (F.M.Z. Gesellschaft mbH & co. KG en F.M.Z./Oostenrijk); ECieRM 6 april 1994, nr. 22078/93, dec. (N.D./Nederland); ECieRM 29 juni 1994, nr. 20957/92, dec. (Ünlü/Oostenrijk); ECieRM 29 juni 1994, nr. 20933/92, dec. (Cimen/Oostenrijk).
ECieRM 9 oktober 1991, nr. 15871/89, dec. (G.S./Duitsland). Die zaak betrof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf op grond van het begaan van een nieuw feit, zonder dat betrokkene voor dit feit al was veroordeeld.
Vgl. ECieRM 7 oktober 1987, nr. 11531/85, dec. (A.A./Zweden) en ECieRM 7 oktober 1987, nr. 11882/85, dec. (C./Verenigd Koninkrijk); ECieRM 18 april 1996, nr. 19958/92, rep., par. 40-49 (A.P., M.P. en T.P./Zwitserland).
Toen de ECieRM in 1978 in Krause/Zwitserland aanvaardde dat de onschuldpresumptie niet alleen de zittingsrechter en jury bindt, maar ook een breder recht garandeert zonder veroordeling niet als schuldige te worden bejegend, kwam direct de vraag op hoe die norm zich verhoudt tot het charge-vereiste. De in Krause gebruikte formulering bleek een voorbode voor de Commissiebenadering van de toepassingsvoorwaarde:
“Article 6 (2) of the Convention, laying down the principle of presumption of innocence, is certainly first of all a procedural guarantee applying in any kind of criminal procedure [...]. However, the Commission is of the opinion that its application is wider than this. It is a fundamental principle embodied in this Article which protects everybody against being treated by public officials as being guilty of an offence before this is established according to law by a competent court.”1
De behandelingsdimensie beschermt aldus iedereen (“everybody”) – en dus niet alleen iedere verdachte – tegen behandeling als schuldige aan een strafbaar feit. Daarmee houdt de Commissie vast aan de eis dat de bejegening een strafrechtelijk karakter moet hebben, maar verlangt zij niet dat de verdachte ten tijde van de bejegening charged is. 2
Kort na de uitspraak in Krause heeft de Commissie zichzelf tweemaal hardop afgevraagd of de onschuldpresumptie ook voorafgaand aan en/of na afloop van een criminal charge geldt. Een expliciet antwoord kon de Commissie achterwege laten door vast te stellen dat de klachten hoe dan ook op inhoudelijke gronden faalden.3 Nadien heeft de Commissie zich in het algemeen van het charged-vereiste niet veel aangetrokken. Dat artikel 6 lid 2 EVRM moet worden geïnterpreteerd “as also applying to situations where the person concerned is not or no longer formally charged with a criminal offence”, overwoog de Commissie zowel in situaties waarin de verdachte nooit charged was geweest als in situaties waarin die charge ten tijde van de bejegening als schuldige reeds – zonder veroordeling – was geëindigd.4 Tevens achtte de Commissie de onschuldpresumptie van toepassing op bejegeningswijzen die schuld aan een ander dan het tenlastegelegde delict impliceren.5 Volledig consistent was de Commissie evenwel niet. In de minderheid van de zaken hield zij aan de toepassingsvoorwaarde juist tamelijk strikt de hand.6 Leidend was echter dat eenieder recht heeft niet als een strafrechtelijk schuldige te worden behandeld. Dat recht is niet strikt verbonden aan een strafproces. De uitdrukkelijke beperking tot behandeling als strafrechtelijk schuldige zorgt ervoor dat de onschuldpresumptie binnen de strafrechtelijke sfeer blijft en andersoortige procedures over dezelfde feiten kunnen blijven functioneren.