Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.4.3
II.5.2.4.3 Goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste voor de erfdelen
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623677:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader Kaptein 2013, par. 5 die deze objectieve maatstaf in twijfel trekt.
Van Mourik 2009, p. 481.
Van Mourik 2009, p. 481.
Zie ook paragraaf 5.2.2 met betrekking tot de vraag naar de mogelijkheid van delegatie ten aanzien van de erfgenamen.
De te bewandelen route hiervoor is evenwel niet art. 4:42 lid 3 BW (Van Mourik), maar de materiële aard van de erfstelling. Ook in het verslag van Rookmaker 2003b wordt voor een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van de erfdelen gekozen.
Vgl. paragraaf 4.4.2.6 ‘Ratio objectieve maatstaf: derdenwerking’.
Het goederenrechtelijke bepaaldheidsvereiste kent volgens de heersende leer, zoals in paragraaf 4.4.2.2 t/m paragraaf 4.4.2.6, naar voren kwam, een objectieve maatstaf.1 Het biedt hiermee geen ruimte voor subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, en dus geen ruimte voor wilsdelegatie.
Geldt het goederenrechtelijke bepaaldheidsvereiste met objectieve maatstaf ook voor het bepalen van de omvang van de erfdelen? Zoals ik in paragraaf 5.2.3.2 opmerkte, betreft de erfstelling de nalatenschap als vermogenseenheid. Dat betekent dat een erfdeel op meerdere te onderscheiden goederen kan zien, zoals registergoederen, roerende goederen of vorderingen, en op schulden (art. 4:182 jo. 4:7 BW). Het ligt daarom voor de hand om voor de erfstelling één opvatting van het bepaaldheidsvereiste te hanteren, die recht doet aan deze goederenrechtelijke verhoudingen: dat wil zeggen het goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste met objectieve maatstaf. Ook Van Mourik lijkt dit goederenrechtelijke bepaaldheidsvereiste voor wat de omvang van de erfdelen betreft, te omarmen. Op een vraag over flexibele erfstellingen met keuzemogelijkheden voor de erfgenamen, reageert hij namelijk als volgt:
‘De omvang van het erfdeel mag afhankelijk worden gesteld van objectieve ‘externe’ factoren, zoals ‘het vrijgestelde bedrag voor de heffing van successierecht’. Van essentieel belang is dat de omvang van het erfdeel op het moment van overlijden vaststaat. Het erfdeel is in dit voorbeeld objectief bepaalbaar. Er moet alleen nog wat rekenwerk worden verricht. Art. 4:115 BW heeft het over het nalaten van ‘een aandeel’ en niet over ‘een bepaald aandeel’ (curs. NB).’2
Met andere woorden: er is volgens Van Mourik ruimte voor een zekere bepaalbaarheid, maar deze bepaalbaarheid kan dan enkel worden geconcretiseerd aan de hand van objectieve ‘externe’ factoren. De omvang van de erfdelen moet objectief bepaalbaar zijn en op het moment van overlijden vaststaan. Voor het nader bepalen van de omvang van het erfdeel ‘achteraf’ door een subjectief oordeel van een derde is zijns inziens dan ook geen plaats:
‘De vaststelling van de omvang van het erfdeel mag niet afhankelijk zijn van de wil van de betrokken erfgenaam of van een derde. Dat levert strijd op met art. 4:42 lid 3 BW. Een dergelijke delegatie is ongeoorloofd en leidt tot nietigheid van de desbetreffende beschikking (curs. NB).’ 3
Bepaalbaarheid aan de hand van subjectieve elementen wordt door hem afgekeurd vanwege strijd met art. 4:42 lid 3 BW. Reeds in het eerste deel van dit onderzoek heb ik echter uiteengezet dat art. 4:42 lid 3 BW, waarin het zogenaamde persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking tot uitdrukking komt, slechts een formeel aspect omvat (zie met name hoofdstuk 3) en niet in de weg staat aan wilsdelegatie. Erflater kan zijn uiterste wilsbeschikkingen op grond van art. 4:42 lid 3 BW slechts persoonlijk maken. Hij mag zich bij het maken van zijn uiterste wilsbeschikking, anders gezegd, niet laten vertegenwoordigen. Art. 4:42 lid 3 BW zegt daarmee evenwel niets over de mogelijkheid om (hoogst)persoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden te verlenen, zoals de bevoegdheid om de omvang van een erfdeel door een derde te laten bepalen. Hiervoor is mijns inziens het bepaaldheidsvereiste doorslaggevend (vgl. paragraaf 3.5). En gelet op de aard van de erfstelling dient dat bepaaldheidsvereiste ten aanzien van de omvang van de erfdelen, naar mijn mening, (eveneens)4 strikt te worden opgevat.5 Dit vanwege de absolute werking van de goederenrechtelijke rechten.6 In het belang van derden, zoals schuldeisers, dienen de aandelen in de goederen en schulden duidelijk te zijn. Dit wordt onderstreept door een bepaling als art. 4:182 lid 2 BW, dat zonder een bepaald erfdeel geen redelijke zin lijkt te hebben:
‘Zij [de erfgenamen, toev. NB] worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden (curs. NB).’
Toch kan, net zoals in paragraaf 5.2.3.2, de vraag worden gesteld of zo’n strikte opvatting niet wringt met het besef dat erflater behoefte kan hebben aan een ‘flexibel’ erfdeel. Is er wellicht een argument dat het uitgangspunt van een strikt bepaaldheidsvereiste voor de omvang van de erfdelen verzacht? Ofwel is er een argument dat ruimte geeft voor een soepele opvatting van het bepaaldheidsvereiste, in die zin dat de erfdelen na erflaters overlijden (toch) door een ander kunnen worden geconcretiseerd (vgl. paragraaf 5.2.3.3)?