Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.5
2.5 Het loon van de opdrachtnemer: een analyse van andere bijzondere regelingen
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855406:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie t.a.v. de aannemingsovereenkomst o.a. art. 7:752, 7:753, 7:755, 7:757 en 7:760 BW, t.a.v. de arbeidsovereenkomst o.a. art. 7:616-633 en 7:655 BW en t.a.v. de agentuurovereenkomst o.a. art. 7:431-435 BW.
Ter illustratie: andere regelingen kennen bijv. bepalingen voor het geval dat partijen de hoogte van het loon niet zijn overeengekomen, net als art. 7:405 lid 2 BW (zie par. 2.2). Anders dan bij de overeenkomst van opdracht wordt bij bijv. aanneming van werk niet eerst gekeken naar het op gebruikelijke wijze berekende loon, maar direct naar wat een redelijke prijs is (art. 7:752 lid 1 BW). De verklaring voor dit verschil is dat het bij aanneming van werk goed denkbaar is dat de aannemer buitensporig hoge prijzen rekent. Nogmaals: dit is een interessante constatering op zichzelf bezien, maar brengt het debat m.b.t. de opdrachtnemer niet verder, waardoor dit onbesproken blijft.
De regelingen inzake de aanneming van werk, de arbeidsovereenkomst en de agentuurovereenkomst kennen veel bepalingen op het gebied van loon en kunnen ter vergelijk dienen met de overeenkomst van opdracht. Deze regelingen bepalen onder andere het recht op loon, het betalingstijdstip, de plaats van betaling, de vorm of wijze van betaling en het verstrekken van informatie over het loon.1 Na de bestudering van deze regelingen ben ik tot de conclusie gekomen dat vanuit het perspectief van het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant alleen de regeling inzake de arbeidsovereenkomst zinvol is om in het kader van het thema loon nader onder de loep te nemen. Gezien het doel van mijn onderzoek en de centrale vraagstelling, die zich concentreert op de mate waarin het verbintenissenrecht binnen de huidige kaders de opdrachtnemer aan de onderkant bescherming kan bieden ten aanzien van onder meer het thema loon, richt ik mij slechts op de navolgende twee onderwerpen.
Eerst ga ik in op de wettelijke verhoging bij een te late loonbetaling (paragraaf 2.5.1). In paragraaf 2.4.1 constateerde ik onder andere dat de wettelijke (handels)rente bij te late loonbetaling (artikel 6:119 e.v. BW) te laag is om de relatie met de opdrachtgever op het spel te zetten, terwijl de opdrachtnemer geen andere individuele pressiemiddelen voorhanden heeft om tijdige én correcte loonbetaling af te dwingen. Het arbeidsovereenkomstenrecht kent wel een zodanig middel, waarmee de wettelijke verhoging bij niet-tijdige loonbetaling kan oplopen tot maximaal 50% van de uitstaande betaling (artikel 7:625 BW). Tegen de achtergrond van dit artikel kom ik tot de slotsom dat een aantal opdrachtnemers ook de bescherming van een dergelijk mechanisme verdient, maar dat de mogelijkheid tot een analoge toepassing twijfelachtig is (paragraaf 2.5.1).
Daarna bespreek ik de risicoverdeling bij niet-werken (paragraaf 2.5.2). Het leerstuk schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW) kan de opdrachtnemer (schuldenaar) over een niet-gewerkte periode het recht op loon geven, maar door onder meer de onzekerheid die achter het toerekeningsvraagstuk schuilgaat, kan dit recht aan kracht inboeten, zo blijkt uit paragraaf 2.4.2. In dit kader kan voor de invulling van het begrip ‘toerekening’ onder omstandigheden worden aangesloten bij de wijze waarop het arbeidsovereenkomstenrecht hiermee omgaat (artikel 7:628 lid 1 BW). Daarnaast blijkt dat de opdrachtnemer die zijn werkzaamheden niet kan verrichten door een exceptionele gebeurtenis, slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een loonaanspraak zal hebben op grond van het leerstuk van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW).
Hoewel er meer onderwerpen zijn die op zijn minst raakvlakken vertonen met het thema loon, ben ik op zoek naar analogieën die het debat in het kader van de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer aan de onderkant verder kunnen brengen en niet naar een algemene bespiegeling van hoe de verschillende loonbepalingen in het BW zich tot elkaar verhouden.2 Met dit in het achterhoofd ben ik tot de bovenstaande twee regelingen (artikel 7:625 en 7:628 BW) gekomen, die beide behulpzaam (kunnen) zijn voor de beantwoording van de vraag op welke wijze de opdrachtnemer de betaling van de financiële tegenprestatie kan afdwingen. Overigens blijft de WML in deze paragraaf buiten beschouwing, omdat ik deze wet al uitgebreid heb besproken in paragraaf 2.3.1.3
2.5.1 De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW2.5.2 De risicoregeling bij niet-werken