Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.3.4
12.3.4 Intrekking bij voorbaat
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS351959:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/249, Van der Grinten, Het vennootschapsrecht en de Tweede E.E.G.-Richtlijn 1979, p. 62 en Schutte-Veenstra, Enkele kanttekeningen bij het vennootschappelijk verzetrecht van crediteuren, TVVS 1996, p. 297. Anders Ten Voorde (diss.) 2006, p. 54, die van mening is dat de bevoegdheid tot kapitaalvermindering ook bij of krachtens de statuten kan toekomen aan een ander vennootschapsorgaan.
Ik stelde deze vraag ook aan de orde in Timmermans, De beëindiging van het uitstaan van preferente beschermingsaandelen. Ondernemingsrecht 2014/16.
In gelijke zin Schutte-Veenstra, Enkele kanttekeningen bij het vennootschappelijk verzetrecht van crediteuren, TVVS 1996, p. 295.
Een vergelijkbaar systeem werd – vooral vóór 11 juni 2008 toen de inkoopgrens nog op 10% was gesteld – toegepast door beursvennootschappen die aandelen inkoopprogramma’s uitschreven. Om opeenvolgende tranches aandelen flexibel te kunnen inkopen zonder dat steeds een algemene vergadering gehouden moet worden om over de intrekking van de ingekochte aandelen te besluiten, wordt in de algemene vergadering waarin het voorstel wordt gedaan om het bestuur te machtigen tot inkoop eveneens alvast een voorstel tot intrekking van de dan nog in te kopen aandelen gedaan. Deponering van het kapitaalverminderingsbesluit en aankondiging daarvan vindt dan eerst na enige tijd plaats en wel zodra de aandelen door de vennootschap zijn verkregen, zodat de feitelijke intrekking van de (dan dus inmiddels) ingekochte aandelen wordt uitgesteld.
Van der Grinten, Het vennootschapsrecht en de Tweede E.E.G.-Richtlijn 1979, p. 62, die zulks suggereert in het kader van de vraag of de vennootschap zich bij de uitgifte kan verbinden om tot intrekking over te gaan. Van der Grinten lijkt later terug te komen op zijn standpunt en acht een intrekking van beschermingsprefs onder de voorwaardelijke tijdsbepaling dat de houder van de aandelen de wens tot intrekking te kennen geeft verdedigbaar, en houdt zelfs – zij het met een slag om de arm – een intrekking op basis van een statutaire bepaling die inhoudt dat een besluit tot intrekking geacht moet worden te zijn genomen op het tijdstip dat de houder van de beschermingsprefs intrekking wenst voor mogelijk, Van der Grinten, De bescherming van de onafhankelijkheid van de vennootschap, De NV 60 (1982), p. 39.
Vgl. Kamerstukken II 2008/2009, 31 058, nr. 6, p. 46.
Het besluit tot intrekking van de algemene vergadering is een constitutief vereiste voor de kapitaalvermindering. Intrekking van beschermingsprefs vereist aldus een besluit van de algemene vergadering en kan niet plaatsvinden krachtens besluit van een ander vennootschapsorgaan zoals bijvoorbeeld de vergadering van houders van beschermingsprefs (de stichting).1
Kan de algemene vergadering het besluit tot intrekking nemen in dezelfde vergadering als waarin zij het besluit neemt tot aanwijzing van het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan?2 In dat geval zou niet een nieuwe algemene vergadering bijeengeroepen hoeven te worden om – op het moment dat tot intrekking van de beschermingsprefs kan worden overgegaan – tot intrekking te besluiten. Ik meen dat dat kan en licht dat hieronder toe.
Het besluit tot intrekking wordt van kracht zodra de periode waarbinnen schuldeisers van de vennootschap tegen het besluit tot kapitaalvermindering in verzet kunnen komen is verstreken. De verzetperiode vangt aan op het moment waarop aankondiging door de vennootschap wordt gedaan van de nederlegging van het besluit tot kapitaalvermindering ten kantore van het handelsregister. De vennootschap bepaalt aldus zelf wanneer die verzetperiode aanvangt.3 De wet bepaalt niet dat die nederlegging en aankondiging kort nadat het besluit is genomen moeten plaatsvinden. Ik zou menen dat enige tijd tussen besluitvorming en nederlegging mag liggen.4 Zolang de wettelijke crediteurenverzettermijn wordt aangehouden, ondervinden schuldeisers geen hinder.
Gooit het vereiste dat de aandelen waarop het besluit betrekking heeft in het kapitaalverminderingsbesluit moeten worden aangewezen nog roet in het eten? Ik zou menen van niet. Het gaat erom dat uiteindelijk alle uitgegeven beschermingsprefs worden ingetrokken. Voor eenieder zal duidelijk zijn dat dat de bedoeling is. Het precieze aantal zal nog niet bekend zijn op het moment waarop het besluit genomen zal worden en zal dus ook niet kunnen worden verwoord in het besluit. Voldoende is naar mijn mening dat het voorstel tot intrekking vermeldt dat alle beschermingsprefs die uit hoofde van het voorstel tot uitgifte (of optieverlening) worden uitgegeven, zullen worden ingetrokken.
Tegen dit alternatief kan worden ingebracht dat hiermee het karakter van het aandeel verandert, omdat de aandeelhouder met het besluit tot uitgifte tegelijkertijd een onvoorwaardelijke aanspraak krijgt op terugbetaling.5 De vergelijking met een obligatie dringt zich op. Zolang de beschermingsprefs zijn uitgegeven met inachtneming van de voor de uitgifte voorgeschreven formaliteiten en stemrecht en aanspraak op uitkering van winst of reserves is verbonden aan de beschermingsprefs, kan naar mijn mening toch moeilijk worden volgehouden dat de beschermingsprefs waarvan tevoren vaststaat dat ze zullen worden ingetrokken geen aandelen zijn.6