25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/62.5:62.5 Welke Awb-beginselen?
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/62.5
62.5 Welke Awb-beginselen?
Documentgegevens:
mr. P.J. Stolk, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. P.J. Stolk
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie KB 20 november 2006, Stb. 2006/615 (Amsterdam) en KB 31 oktober 2008, Stb. 2008/443 (Landsbanki).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hiervoor aangegeven wordt bij de hantering van het instrument van de spontane vernietiging uitgegaan van een zwaar motiveringsbeginsel bij vernietiging wegens strijd met het algemeen belang en van het proportionaliteitsbeginsel bij vernietiging wegens strijd met het recht. Het ‘zware’ motiveringsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel kennen geen aparte regeling in de afdeling 10.2.2 naast de artikelen 3:46 Awb en 3:4, tweede lid Awb. Alleen voor de motivering geldt aanvullend artikel 10:41, tweede lid, Awb dat de motivering van het vernietigingsbesluit verwijst naar het overleg dat voor het nemen van het besluit ingevolge artikel 10:41, eerste lid Awb mogelijk heeft plaatsgevonden. Waaruit bestaat het zware motiveringsbeginsel? In de Landsbanski uitspraak speelde dit beginsel.1 Daarin was aan de orde dat de Nederlandse regering een Memorandum of Understanding (MoU) had gesloten met de IJslandse regering. Daarbij was overeen gekomen dat Nederlandse spaarders (waaronder de overheden) in aanmerking zouden komen voor een uitkering op grond van het IJslandse depositogarantiestelsel. Besprekingen over een nader MoU, ter uitwerking van het eerdere, waren nog gaande. De beslissing van de overheden om zelf een gerechtelijke procedure te starten tegen de Landsbanski bank , zou een inbreuk vormen op de onderhandelingen met de IJslandse regering en zou de gelijkheid van schuldeisers schaden. De Afdeling concludeerde dat de motivering van het KB uiterst summier is. Bepaalde zaken, zoals financiële risico’s en stabiliteit, en het gevaar dat de IJslandse regering de MoU-afspraken niet zou nakomen als gevolg van de gerechtelijke procedure door de overheden, zouden onvoldoende zijn uitgewerkt. Het zware motiveringsbeginsel bestaat hieruit dat een aantal specifiek door de Afdeling benoemde feiten onvoldoende zijn toegelicht, maar daarmee wordt m.i. niet afgeweken van het ‘gewone’ motiveringsbeginsel. Dit motiveringsbeginsel vereist immers een juiste vaststelling van de feiten en dat deze vaststelling leidt tot tot het genomen besluit. Bovendien is de ‘zware motiveringslijn’ bij andere vernietigings-KB’en niet zichtbaar.
In artikel 10:41 wordt voorgeschreven dat voorafgaande aan een besluit tot vernietiging de mogelijkheid tot overleg wordt geboden tussen de betrokken bestuursorganen. Daadwerkelijk overleg is niet voorgeschreven; alleen de mogelijkheid tot overleg moet zijn geboden. Het Beleidskader schorsing en vernietiging beschrijft een uitgebreide interventieladder alvorens daadwerkelijk tot schorsing of vernietiging wordt overgegaan. Deze stappen geven invulling aan het vereiste van zorgvuldige voorbereiding van een besluit als het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen conform artikel 3:2 Awb.
Omdat de bezwaarprocedure niet van toepassing is in de procedure van het besluiten tot vernietiging zou het overleg als een volwaardige vervanging van de bezwaarprocedure altijd moeten plaatsvinden, tenzij het bestuursorgaaan waarvan het besluit wordt vernietigd daaraan geen behoefte heeft. Dus ook wanneer andere – informele – vormen van overleg tussen de betrokken bestuursorganen hebben plaatsgevonden. Dit geldt temeer omdat de motivering van het vernietigingsbesluit dient te verwijzen naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen. Dit voorschrift van het tweede lid van artikel 10:41 vormt het enige wettelijk voorschrift waarin een bijzondere motiveringsplicht met betrekking tot een vernietingsbesluit tot uitdrukking komt. Als dat niet wordt toegepast dan blijft er weinig over van de ‘zware’ motiveringplicht naast de motiveringsplicht op grond van 3:46 Awb.