Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/14.4.2
14.4.2 Beoordeling
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947756:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kiesraad 2014a, p. 3.
Vgl. Aanbeveling CM/Rec(2007)15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (7 november 2007), On measures concerning media coverage of election campaigns, par. 9
EHRM 16 november 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1116JUD004105512 (Assotsiatsiya NGO Golos and Others/Russia), par. 89. Het EHRM gaf hierin aan dat de categorieën informatie die niet verspreid mag worden voldoende duidelijk moeten zijn afgebakend.
Kamerstukken II 2021/21, 35654, nr. 8. Het Kamerlid Öztürk diende daarnaast een motie in die de regering verzocht om ‘tussentijds exit polls zo veel mogelijk tegen te gaan, en hiertoe afspraken te maken met de opiniepeilers’: Kamerstukken II 2021/21, 35654, nr. 20. In tegenstelling tot het amendement van Van Raak werd de motie wel aangenomen: Handelingen II 2020/21, nr. 39, item 62.
Handelingen II 2020/21, 35654, nr. 39, item 61.
Zie par. 7.6.1.
Zie par. 8.7.
Internet en sociale media in het stemlokaal
Beide bepalingen beogen zoals gezegd de stemvrijheid van de kiezer in het stemlokaal te waarborgen. Regels met betrekking tot verkiezingspropaganda (direct) buiten het stemlokaal stelt de Kieswet niet. De wetgever wijst wat dat betreft op de bevoegdheden van het gemeentebestuur.1 De bepalingen van de Kieswet laten echter onverlet dat de verkiezingscampagne op internet wél tot in het stemlokaal kan voortduren. Politieke partijen kunnen kiezers op die manier zelfs in het stemhokje nog bereiken. De Kiesraad wees reeds in 2014 op de onwenselijkheid van het zwijgen van de Kieswet op dit gebied, met als gevolg dat stembureaus verschillend met het gebruik van mobiele apparatuur in het stemlokaal zouden omgaan. 2
Hiertegen optreden is echter om twee redenen lastig. Ten eerste is beinvloeding van kiezers door fysieke aanwezigheid in het stemlokaal van een andere orde dan het voeren van digitale campagnes. Aan de eerste vorm kan de kiezer zich moeilijk onttrekken, omdat hij er bij het betreden van het stemlokaal tegen zijn wil mee wordt geconfronteerd. Ingrijpen door de voorzitter van het stemlokaal is in zulke gevallen dan ook geboden. De tweede vorm van beïnvloeding heeft de kiezer echter zelf in de hand en zoekt hij als het ware zelf op door zich in het stemlokaal op het internet te begeven. Ook geldt dat beïnvloeding door een fysiek in het stemlokaal aanwezige kiezer een veel directer karakter heeft dan beïnvloeding door advertenties op, bijvoorbeeld, sociale media. Gegeven de norm dat de kiezer, vlak voordat hij zijn stem uitbrengt, niet meer in zijn keuze beïnvloed mag worden, is het gebruik van internet en sociale media in het stemlokaal dus weliswaar bezwaarlijk, maar ook en vooral de eigen keuze van de kiezer. De vraag is dus of optreden van de wetgever in zulke gevallen überhaupt gewenst is.
De tweede vraag is welke concrete maatregel de wetgever in dat geval zou moeten treffen. Een verbod op het gebruik van mobiele apparatuur in het stemlokaal ligt dan voor de hand, waarbij wel de kanttekening geplaatst moet worden dat een dergelijk verbod in het stemhokje lastig te handhaven valt zonder het stemgeheim te schenden. Ook betekent dit een bijzondere benadering van het vraagstuk van kiezersbeïnvloeding in het stemlokaal, omdat het verbod zich richt tot degenen die zich laten beïnvloeden. Het is echter het uitoefenen van die invloed dat problematisch is. Een en ander wordt verder bemoeilijkt door het feit dat een gevolmachtigde kiezer in het stemlokaal een kopie van het identiteitsbewijs van de volmachtgever moet laten zien; dat mag ook een digitale kopie zijn. Ook is de vraag welke sanctie er op het gebruik van mobiele apparatuur zou moeten staan. Het zou disproportioneel zijn om de kiezer de toegang tot het stemlokaal te ontzeggen, zijn stem ongeldig te verklaren of hem te beboeten.
Wat resteert is de mogelijkheid om het gebruik van mobiele apparatuur in het stemhokje wel te verbieden, maar niet te sanctioneren. In dat geval is het wel zaak om kiezers in het stemlokaal op het verbod te wijzen. Zodra zij het stemhokje betreden, moeten zij telefoongebruik achterwege laten. Dat zou in lijn zijn met de kieswettelijke bepalingen die propaganda in het stemlokaal tegengaan teneinde de stemvrijheid van de kiezer te waarborgen. Ook verwijs ik naar de volgende paragraaf, waar een bespreking van het fenomeen ‘stemfie’ ook tot de conclusie leidt dat telefoongebruik in het stemhokje ontoelaatbaar is.
Afkoelperiode?
Om online in het stemlokaal daadwerkelijk te voorkomen, zou (online) campagne voeren op de dag der stemmingen onmogelijk gemaakt moeten worden, iets wat puur met het oog op het voorkomen van beïnvloeding in het stemlokaal niet kan worden gerechtvaardigd. Een dergelijk verbod belet niet slechts een digitale campagne in het stemlokaal, waarvoor het verbod in eerste instantie bedoeld zou zijn, maar heeft een veel bredere werking en is wat mij betreft een disproportionele maatregel als deze enkel en alleen wordt opgelegd ter voorkoming van beïnvloeding in het stemlokaal. Wel kan men zich afvragen of het invoeren van een ‘afkoelperiode’ niet in breder verband wenselijk zou zijn. 3Tal van Europese landen (waaronder Frankrijk, Portugal, Spanje en Griekenland) kennen dit fenomeen. De precieze achtergrond van de regelingen verschilt, maar in alle gevallen speelt de gedachte dat kiezers tijdens (en in veel gevallen ook kort voor) de stemmingen niet langer beïnvloed dienen te worden, een rol. Op die manier kan de kiezer de verkiezingscampagne even laten bezinken, waarmee de maatregel in dienst staat van de vrije meningsvorming en de stemvrijheid. Een afkoelperiode kan enkel inhouden dat kandidaten gedurende die tijd geen campagne meer mogen voeren, maar bijvoorbeeld ook dat geen opiniepeilingen of exitpolls gepubliceerd mogen worden. Zo wordt voorkomen dat kiezers hun stem bepalen aan de hand van de keuzes van andere kiezers, of dat zij hun keuze baseren op mogelijk onjuiste of onvolledige gegevens.
De Nederlandse wetgever heeft dergelijke regels nooit gesteld. Op dit moment is er geen reden om daar verandering in te brengen. Een afkoelperiode vormt een beperking op de vrijheid van meningsuiting van politieke partijen en de media die, gelet op de rechtspraak van het EHRM, de toets aan artikel 10 EVRM weliswaar onder bepaalde voorwaarden kan doorstaan, 4maar voor Nederland geldt dat zij op dit moment niet ‘in een democratische samenleving noodzakelijk’ geacht kan worden. De huidige praktijk, die inhoudt dat de eerste exitpolls worden gepubliceerd rond de sluitingstijd van de stemlokalen, geeft bovendien geen aanleiding tot een wettelijke regeling die de publicatie van peilingen aan banden legt. Een en ander verdient echter heroverweging op het moment dat vervroegd stemmen een permanent aspect van de verkiezingsprocedure zou worden. In dat geval is het zaak om te voorkomen dat exitpolls op de ene dag de stemmingen op de volgende dag beïnvloeden. Deze kwestie speelde al tijdens de ‘coronaverkiezingen’ van 2021, die gehouden werden met toepassing van een systeem van vervroegd stemmen. Tijdens de behandeling van het voorstel voor de Tijdelijke wet verkiezingen covid-19 diende het Kamerlid Van Raak een amendement in dat de publicatie van peilingen op de stemmingsdagen wilde verbieden. 5De minister van BZK was geen voorstander van een wettelijke regeling en wilde in plaats daarvan in gesprek met de peilingbureaus aansturen op handhaving van de geldende praktijk: geen publicatie van exitpolls totdat de stembussen definitief gesloten zijn. Het amendement werd vervolgens verworpen. 6Ook bij permanente introductie van vervroegd stemmen zou zelfregulering nog altijd het uitgangspunt moeten zijn. Tot op heden heeft dat steeds volstaan, zodat een wettelijke regeling ook dan in beginsel niet in de rede ligt. Eenzelfde lijn kan gevolgd worden voor de campagnes van politieke partijen. Zij zouden op de verkiezingsdagen geen campagne meer mogen voeren, omdat daarmee een onderscheid ontstaat tussen de kiezers die nog moeten stemmen en de kiezers die al gestemd hebben. Die laatste groep is immers niet meer gebaat bij de campagne van de partij. Een dergelijke situatie zet het uitgangspunt van vrije meningsvorming, en meer concreet het principe dat kiezers onderling over dezelfde informatie moeten kunnen beschikken, onder druk.7 Ook hier geldt dat zelfregulering het uitgangspunt zou moeten zijn. Als echter blijkt dat sommige partijen zich niet aan de gemaakte afspraken houden, is optreden van de wetgever alsnog gewenst. Een wettelijke regeling vormt in dat geval niet alleen een waarborg voor de gelijke informatiepositie van kiezers, maar ook voor een gelijk speelveld tussen de kandidaten.8