Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.6.4
3.6.4 Hypothese 2: procedurele omstandigheden spelen een beslissende rol
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498486:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In weerwil van de kritiek van om. Molenberg 1995, p. 204-205: RvA bouwbedrijven 19 juni 1997, BR 1998, p. 778.
Het (zuiver) verrassende en in zijn inhoud evenwichtige vertegenwoordigingsbeding ex art. 6:238 lid 1 is bijv. niet als onredelijk bezwarend aangemerkt noch van de vernietigingssanctie voorzien. Vgl. hierover Loos 2001, nr. 213-214.
Rb. Almelo 6 september 2006, LJN AY8060, r.o. 4.3; Hof 's-Hertogenbosch 17 maart 2009, LJN BH6958, r.o. 4.5.8.
Hof 's-Gravenhage 30 maart 2006, r.o. 8, aangehaald in concl. A-G Strikwerda voor HR 7 december 2007, LJN BB5078. In Duitsland vormt de onduidelijkheid van een beding wel een wettelijke vernietigingsgrond (§ 307 BGB).
Hijma 2010a, nr. 42: 'Bij de toetsing aan die open norm zal een lage begrijpelijkheidsgraad een relevante wegingsfactor vormen, maar blijft mede betekenis toekomen aan de verdere omstandigheden van het geval.' Loos beschouwt het niet-naleven van het transparantiebeginsel als een weliswaar zwaarwegende maar niet doorslaggevende omstandigheid bij de invulling van de open norm uit art. 6:233 onder a: Loos 2001, nr. 146147. Zie ook Rinkes 2003, p. 109.
Bij verrassende bedingen gaat het veelal om exoneratiebedingen en bedingen die de aansprakelijkheid uitbreiden, om vervalbedingen of bedingen die overeenkomsten (stilzwijgend) verlengen. Dergelijke bedingen veroorzaken op zichzelf vaak ook een inhoudelijk nadeel. Zie voor diverse voorbeelden van verrassende bedingen waar inhoudelijk ook iets aan schort: Jongeneel 2010b, p. 134-135. Ook de onduidelijkheid gaat meestal gepaard met een inhoudelijke oneerlijkheid. Onduidelijke bedingen verschaffen de gebruiker vaak buitenproportioneel veel manoeuvreerruimte binnen het contract. Ruim geformuleerde bedingen worden in de praktijk echter niet snel als onredelijk bezwarend beschouwd: Hof 's-Gravenhage 9 augustus 2006, LJN AY6000; Ktr. Amsterdam 29 september 2007, LJN BB8670, r.o. 7.
Ktr. Utrecht 30 november 2005, LJN AU7198, r.o. 9. Zie ook Ktr. Deventer 2 september 2004, LJN AT4588, r.o. 2.3; Ktr. Alkmaar 29 maart 2006, LJN AX4043, r.o. 13-14; Ktr. Hoorn 10 april 2006, LJN AZ1613 en Ktr. Hoorn 8 mei 2006, LJN AZ1607. Zie ook Van Wechem 2007, nr. 155.
Asser-Hartkamp en Sieburgh 6-III* 2010, nr. 483; Jongeneel 2010c, p. 359-360, met verwijzing naar Ktr. Zaandam 23 juli 2009, LJN BJ4855 (hierin leidde de ambtshalve vastgestelde schending van het transparantiebeginsel uit art. 6:238 lid 2 er echter niet toe dat het beding als onredelijk bezwarend werd aangemerkt).
Vgl. Hof 's-Gravenhage 12 februari 2008, LJN BC4522.
Duyvensz 2003, p. 51-53.
In Hof Leeuwarden 21 maart 2007, LJN BA1381.
Rb. Zwolle 8 maart 1995, F. 1995/4393: 'Indien American Express deze verregaande aansprakelijkheid wenst, dan zal zulks — daar werknemers op deze consequentie in het algemeen niet bedacht zullen zijn — gelet op art. 6:233 aanhef en onder a BW slechts dan niet onredelijk bezwarend zijn, indien American Express deze consequentie op voldoende duidelijke wijze aan degenen aan wie deze extra-kaarten ter beschikking worden gesteld kenbaar heeft gemaakt.' In gelijke zin: Hof Arnhem 9 september 1997, NJ 1998/655 en Rb. Haarlem 23 april 2008, LJN BD0606, r.o. 4.8. Ook bij vervalbedingen geldt dat wanneer hier tijdig op wordt gewezen, zij de toets doorstaan: Ktr. Leeuwarden 7 mei 2004, LJN A09738, r.o. 6.2.
Een ander voorbeeld vormt: Rb. Amsterdam 29 juni 2009, TVC 2009/5, p. 197 waarin een koppelverhuur-beding de toets uit art. 6:237 onder j doorstond omdat de consument: 1...) vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte(was) van het beding en derhalve van de koppeling. Zij hebben hier voorts zelf mee ingestemd. Niet gesteld of gebleken is dat Ayek c.s. noodzakelijk op de door hen gehuurde woning zijn aangewezen. Ayek c.s. hebben ervoor kunnen kiezen een andere woning te huren.'
In Hof 's-Hertogenbosch 26 mei 2009, LJN BI7715, r.o. 4.5.7-4.5.8 achtte de rechter de dekkingsclausule zelf aanvaardbaar: 'Zoals het hof hierboven reeds overwoog, staat het Fortis in beginsel vrij om de grenzen waarbinnen zij dekking wil verlenen te bepalen. Indien zij uitsluitend de totale reis (heenreis, verblijf en terugreis) wil verzekeren, dient zij dat echter wel op voldoende duidelijke wijze aan haar klanten duidelijk te maken.' I.c. was dit laatste niet bewezen en was de consument de taal 'slechts in beperkte mate machtig': het beding werd om die redenen onredelijk bezwarend geacht.
134. Deze hypothese veronderstelt dat omstandigheden rond de opstelling en totstandkoming van de algemene voorwaarden en de sluiting van het contract, op zichzelf genomen, de onredelijk bezwarendheid van een beding, of juist de afwezigheid ervan, bepaalt. Hypothese 2 kent de volgende varianten:
procedurele eerlijkheid volstaat om de onredelijk bezwarendheid uit te sluiten en naar inhoudelijke omstandigheden hoeft niet te worden gekeken (hypothese 2a);
procedurele oneerlijkheid volstaat om de onredelijk bezwarendheid vast te stellen en naar inhoudelijke omstandigheden hoeft niet te worden gekeken (hypothese 2a');
procedurele eerlijkheid geeft de doorslag ook al is er sprake van inhoudelijke oneerlijkheid (hypothese 2b);
procedurele oneerlijkheid geeft de doorslag ook al is er sprake van inhoudelijke eerlijkheid (hypothese 2b').
135. Bij hypothesen 2a en 2a' is aandacht voor de inhoudelijke omstandigheden niet nodig. Bij de toetsing aan art. 6:233 onder a geeft de procedurele eerlijkheid nooit de doorslag zonder dat tegelijkertijd naar de inhoudelijke (on)eerlijkheid van het beding wordt gekeken. Hypothese 2a kan voor wat betreft de Nederlandse rechtspraktijk zonder meer worden weerlegd. In de alternatieve geschillenbeslechting lijkt hypothese 2a wel op te gaan voor zover de procedurele eerlijkheid is ingegeven door het tweezijdige karakter van de algemene voorwaarden. Die tweezijdigheid werd door een Raad van Arbitrage doorslaggevend geacht. De Raad ging daarom voorbij aan de gestelde strijdigheid van het beding met onder meer art. 6:237 onder b en f.1
Andersom geeft de procedurele oneerlijkheid in de praktijk nooit de doorslag zonder dat bij de inhoudelijke (on)eerlijkheid van het beding wordt stilgestaan (hypothese 2a' gaat ook niet op). Het is op grond van de inhoudstoets ook slecht denkbaar dat het beding wordt uitgeschakeld zonder dat naar de inhoud van het beding wordt gekeken. Het nadeel is naar Nederlands recht materieel dan wel immaterieel (waaronder een procedureel nadeel zou kunnen vallen) van aard maar dient volgens de parlementaire geschiedenis te kunnen worden teruggevoerd op de inhoud van de algemene voorwaarde.2 Deze inhoud is nadelig of heeft een negatief effect op het contractsevenwicht.3 De omstandigheid dat er geen onderHandelingen IIebben plaatsgevonden over de algemene voorwaarden wordt dan ook niet toereikend geacht om tot de vernietiging van het beding over te gaan.4In gelijke zin is geopperd dat de onduidelijkheid van het beding ofwel de schending van het transparantiebeginsel 'op zichzelf geen grond (is) om de bepaling onredelijk bezwarend te achten'5 Deze schending is slechts één van de (verder inhoudelijke) meegewogen, op de onredelijkheid van het beding duidende omstandigheden.6
De onredelijk bezwarendheid wordt soms vastgesteld aan de hand van de redelijke verwachtingen van de consument (par. 3.5.4). Hoewel binnen deze methode van toetsing de gang van zaken rond de opstelling van de voorwaarden en de totstandkoming van de overeenkomst een belangrijke rol spelen, wordt hierin doorgaans ook ingegaan op de inhoud van het beding. De verrassendheid is doorgaans niet slechts gelegen in de procedurele omstandigheden, doch ook in de nadelige inhoud van het beding.7 In de reeks uitspraken met betrekking tot de automatische verlenging van een proefabonnement op een erotische site met bijbehorende betalingsverplichting werd uitgebreid ingegaan op de voor de consument bezwarende inhoud van het beding.8 Die bezwarendheid kan overigens soms wel worden gerechtvaardigd wanneer de consument hierop wordt gewezen (vgl. hypothese 2b).
Hypothese 2a' lijkt in strijd met art. 6:233 onder a. Voor de situatie waarin slechts sprake is van procedurele oneerlijkheid zijn de toepasselijkheidstoets, art. 6:233 onder b en art. 6:238 lid 2 bedoeld. Jongeneel stelt evenwel dat zowel op grond van het systeem van de richtlijn als op grond van het systeem van afdeling 6.5.3 de meest voor de hand liggende aanpak van onvoldoende duidelijke en begrijpelijke bedingen zou zijn, om deze als onredelijk bezwarend te bestempelen en zelfs ambtshalve uit te schakelen.9
136. Bij hypothesen 2b en 2b' wordt wel naar de inhoud van het beding gekeken. Hypothese 2b gaat ervan uit dat de bezwarendheid van een beding kan worden gerechtvaardigd door procedurele omstandigheden. Deze hypothese veronderstelt dat de duidelijkheid of kenbaarheid van een naar zijn inhoud onaanvaardbaar beding de doorslag kan geven en dit beding de toets kan laten doorstaan. De parlementaire geschiedenis zegt niets over het wel of niet opgaan van hypothese 2b. In beginsel kunnen alle in art. 6:233 onder a genoemde gezichtspunten, ook de procedurele, een bezwarend beding rechtvaardigen.10 Hierop is in de literatuur kritiek geuit.11 Omstandigheden die wijzen op procedurele eerlijkheid staan op zichzelf echter doorgaans de vernietiging van het beding op grond van art. 6:233 onder a niet in de weg. Meestal wordt een inhoudelijk nadeel mede door omstandigheden die wijzen op procedurele eerlijkheid gerechtvaardigd.12 Er bestaan echter uitzonderingen waarin een bezwarend beding om zuiver procedurele redenen de redelijkheidstoets doorstaat. Dit blijkt a contrario uit een uitspraak met betrekking tot een aansprakelijkheidsbeding in een creditcardovereenkomst.13 Zou de consument op de inhoud van het voor hem nadelige beding zijn gewezen — hij is persoonlijk aansprakelijk en moet dus ook in geval van faillissement van de werkgever persoonlijk instaan voor voldoening van de schulden van de werkgever — dan was het beding niet als onredelijk bezwarend aangemerkt.14
Net als hypothese 2a' — de procedurele oneerlijkheid is op zichzelf doorslaggevend binnen de toets aan art. 6:233 onder a — is hypothese 2b' — de procedurele oneerlijkheid kan een beding waarvan is vastgesteld dat het evenwichtig is, op grond van art. 6:233 onder a alsnog de das omdoen — slecht houdbaar binnen het systeem van afdeling 6.5.3. Bij mijn weten komt het in de Nederlandse rechtspraktijk zelden voor dat een beding, waarvan is vastgesteld dat het naar zijn inhoud eerlijk is, alsnog wordt vernietigd om zuiver procedurele redenen.15 Zoals bij de toetsing van hypothese 2a' al bleek, wordt bij de beoordeling van verrassende bedingen, behalve op procedurele omstandigheden (de consument is niet gewezen op het beding), ook ingegaan op hun inhoud. Daarbij zal niet snel worden bepaald dat het beding naar zijn inhoud redelijk is. Juist omdat het beding belastend is, zal de consument hier niet op bedacht zijn.