Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.2.4.1
5.2.4.1 De wettelijke indieningstermijn
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649856:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Waarover Katan 2017.
Zie bijvoorbeeld art. 36.4 van de statuten van Aegon NV. Te raadplegen via https://www.aegon.com/globalassets/corporate-2018/governance/governance-documents/articles-of-association-dutch.pdf.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Oost-Brabant 31 juli 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:4456, (Radboud/Secmatix) r.o. 4.4.
Abma e.a. 2017, p. 88; GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2.
GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2. In Duitsland is de termijn bij de beursgenoteerde Aktiengesellschaft 30 dagen. Bij niet beursgenoteerde Aktiengesellschaften bedraagt de termijn 24 dagen (§ 122 AktG). In Engeland is de termijn bij de (Listed) Public Limited Company een week (section 314(4)(d) Companies Act 2006).
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 21.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 54; GS Rechtspersoen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 3.
GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2.
Anders GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a, aant. 2, volgens wie een dergelijk verzoek “steeds [zal] moeten worden gehonoreerd”.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 54.
In gelijke zin GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2.
Zo begrijp ik ook GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2.
Punt 11 van de noot van Nowak onder Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260 m.nt. Nowak (Elliott c.s./AkzoNobel). Zie ook voetnoot 4 van de noot van Koster bij deze uitspraak (Ondernemingsrecht 2018/42, p. 256).
Tenzij in het verzoek nadrukkelijk is aangegeven dat het wordt ingediend voor de jaarlijkse algemene vergadering (bijv. i.v.m. de samenhang met een op die vergadering te behandelen ander onderwerp).
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 209.1.
GS Rechtspersonen/Schwarz 2020, art. 2:114a BW, aant. 2.
Of als in het verzoek nadrukkelijk is aangegeven dat het ziet op agendering voor de jaarlijkse algemene vergadering.
De wet bepaalt in art. 2:224a BW ten aanzien van de BV waarvan geen (certificaten van) aandelen aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd dat de vennootschap het agenderingsverzoek niet later dan op de dertigste dag voor die van de vergadering moet hebben ontvangen. Voor NV’s alsmede de BV met een notering aan een gereglementeerde markt is de uiterlijke indieningsdatum de zestigste dag voor die van de vergadering (art. 2:114a BW (jo art. 2:187 BW)). Daarmee voldoet art. 2:114a BW aan art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn. Het laatstgenoemde artikel schrijft in lid 3 voor dat de lidstaten, onder verwijzing naar een bepaald aantal dagen voorafgaand aan de algemene vergadering of de oproeping, één specifieke termijn vaststellen tot waarop aandeelhouders van vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt het agenderingsrecht kunnen uitoefenen.
Het zij opgemerkt dat in de wettekst staat dat ‘de vennootschap’ het verzoek niet later dan op de zestigste respectievelijk de dertigste dag voor die van de vergadering moet hebben ontvangen. Er staat niet dat het verzoek aan het bestuur (en de rvc) gericht moet zijn (hetgeen bij een convocatieverzoek ex art. 2:110/220 BW wel het geval is). Doordat is gekozen voor de term ‘vennootschap’ zouden (in theorie) vragen kunnen ontstaan over toerekening van kennis van de ontvangst van een agenderingsverzoek.1 In de statuten van vennootschappen met een notering is soms expliciet bepaald dat het agenderingsverzoek bij het bestuur en/of de rvc moet worden ingediend.2
De wettelijke indieningstermijn is opgenomen om het bestuur en de rvc in staat te stellen zich een standpunt over het aangedragen onderwerp te vormen. De vennootschap mag een te laat ingediend agenderingsverzoek (in beginsel) dan ook weigeren. Als het bestuur en de rvc menen genoeg voorbereidingstijd te hebben, kan de vennootschapsleiding er uiteraard voor kiezen om een onderwerp dat te laat is aangedragen toch in de agenda op te nemen. Een genomen besluit is daardoor niet vernietigbaar, mits de opname in de agenda geschiedt voor het verstrijken van de minimale oproepingstermijn.3 Bij de BV zonder notering aan een gereglementeerde markt is de minimale oproepingstermijn acht dagen (art. 2:225 BW). Voor de NV zonder notering aan een gereglementeerde markt is dat vijftien dagen (art. 2:115 lid 1 BW). Zijn van de NV of de BV (certificaten van) aandelen aan een gereglementeerde markt genoteerd, dan bedraagt de minimale oproepingstermijn tweeënveertig dagen (art. 2:115 lid 2 jo art. 2:187 BW).
Zowel art. 2:114a BW als art. 2:224a BW staat het toe de wettelijk vastgestelde indieningstermijn in de statuten te verkorten. Een verlenging van de termijn is niet toegestaan. In de praktijk wordt bij beursvennootschappen soms een kortere termijn gehanteerd.4 Als reden voor verkorting van de termijn wordt in de literatuur genoemd dat de termijn van zestig dagen erg lang is en het probleem met zich brengt dat andere vergaderingen dan de jaarlijkse algemene vergadering meestal niet op een dergelijke lange termijn zullen worden aangekondigd of bijeengeroepen.5 Verderop in deze paragraaf spreek ik over hoe de indieningstermijn zich verhoudt tot buitengewone algemene vergaderingen.
In de parlementaire geschiedenis van art. 2:114a BW staat dat de keuze voor de lange termijn van zestig dagen verband houdt met de registratiedatum van art. 2:119 BW. De wetgever wil dat er, ten behoeve van de verwerving van stemvolmachten, voldoende tijd ligt tussen het moment van verschijning van de agenda en de registratiedatum.6 Een registratiedatum is echter enkel verplicht bij NV’s en BV’s met notering aan een gereglementeerde markt (art. 2:119 lid 1 BW (jo art. 2:187 BW). Hoewel de lange wettelijke indieningstermijn bij NV’s zonder registratiedatum dus geen specifiek doel dient, geldt zij ook voor deze vennootschappen.7 Met Schwarz meen ik dat het voor de hand ligt dat bij NV’s die geen registratiedatum hanteren de indieningstermijn in de statuten wordt verkort tot bijvoorbeeld dertig dagen.8 Het bestuur heeft dan alsnog minimaal vijftien dagen de tijd om het agenderingsverzoek te beoordelen. Of een verzoek tot agendering van een statutaire verkorting van de indieningstermijn gehonoreerd dient te worden, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen.9
Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in art. 6 lid 1 Aandeelhoudersrichtlijn wordt geboden om het wettelijke agenderingsrecht bij de vennootschap met notering aan een gereglementeerde markt te beperken tot de jaarlijkse algemene vergadering. In Nederland geldt daarom het in art. 2:114a BW neergelegde agenderingsrecht eveneens voor buitengewone algemene vergaderingen. Hetzelfde geldt voor het in art. 2:224a BW neergelegde agenderingsrecht; ook dat geldt voor buitengewone algemene vergaderingen. Anders dan de jaarlijkse algemene vergadering zal een buitengewone algemene vergadering niet altijd ruim van tevoren (kunnen) worden aangekondigd.10 Degene die de buitengewone algemene vergadering bijeenroept, dient op grond van art. 2:8 BW evenwel, mede met het oog op de uitoefening van agenderingsrechten, het tijdstip van de buitengewone algemene vergadering zo snel mogelijk te communiceren.11 Dit laat onverlet dat het kan voorkomen dat een buitengewone algemene vergadering op een kortere termijn wordt aangekondigd (en bijeen- en opgeroepen) dan de voor indiening van agenderingsverzoeken geldende termijn. Alsdan dringt zich de vraag op hoe moet worden omgegaan met een voor deze buitengewone algemene vergadering ingediend agenderingsverzoek. Naar de letter van de wet is het verzoek te laat ingediend en dus zou de vennootschap reeds om die reden mogen weigeren het aangedragen onderwerp te agenderen. Mijns inziens is deze redenering te kort door de bocht, en moet voor de beantwoording van de vraag een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin de oproeping tegen de minimale oproepingstermijn geschiedt en de situatie waarin tegen een langere dan de minimale oproepingstermijn wordt opgeroepen. Als de buitengewone algemene vergadering op een langere dan de minimale oproepingstermijn wordt opgeroepen, meen ik dat het bestuur en de rvc het agenderingsverzoek inhoudelijk dienen te beoordelen. Art. 2:8 BW brengt met zich dat zij in deze situatie het agenderingsverzoek niet kunnen weigeren op de enkele grond dat het verzoek formeel gezien te laat is ingediend.12 Was er daarentegen zoveel haast bij het houden van de buitengewone algemene vergadering dat deze meteen tegen de minimale oproepingstermijn is opgeroepen dan ligt het anders. Gezien de kennelijk geboden haast zou het onredelijk zijn om van de vennootschap te verwachten dat zij alsnog agenderingsrechten respecteert en dus mogelijk een nieuwe vergadering moet plannen. Wordt nu een agenderingsverzoek ingediend dan schuift deze door naar de volgende algemene vergadering. Meent de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer dat het oproepen tegen de minimale oproepingstermijn (of het achterwege blijven van een tijdige(re) aankondiging van de buitengewone algemene vergadering) tot doel heeft (gehad) om de agenderingsrechten van kapitaalverschaffers te frustreren, dan kan hij dit aan een rechter voorleggen.
In de zaak Elliott c.s./AkzoNobel deed zich een bijzondere situatie voor. Twee dagen voordat bij de voorzieningenrechter een machtigingsverzoek als bedoeld in art. 2:110 en art. 2:111 BW behandeld zou worden, ging AkzoNobel zelf over tot de oproeping van een algemene vergadering op een termijn van 44 dagen. De minimale oproepingstermijn bedroeg 42 dagen. In de agenda voor de door AkzoNobel bijeen- en opgeroepen vergadering was niet het punt opgenomen waarvan Elliott c.s. behandeling verlangden. Terecht stelt JOR-annotator Nowak dat als Elliott c.s. hier op de 43ste dag voor die van de vergadering bij AkzoNobel een agenderingsverzoek op de voet van art. 2:114a BW hadden ingediend, een beroep van AkzoNobel op de zestigdagentermijn voor het indienen van agenderingsverzoeken in strijd met art. 2:8 lid 2 BW zou zijn geweest.13
Een tweede vraag die in relatie tot buitengewone algemene vergaderingen opkomt, is hoe moet worden omgegaan met reeds door het bestuur ontvangen agenderingsverzoeken voor de jaarlijkse algemene vergadering. Moeten deze verzoeken geacht worden betrekking te hebben op de buitengewone algemene vergadering die voor die tijd gehouden zal worden? Als uitgangspunt geldt dat een agenderingsverzoek ziet op de eerste vergadering die na het verstrijken van de indieningstermijn plaatsheeft. De indiener van het verzoek dacht dat dat de jaarlijkse algemene vergadering zou zijn, maar wordt er na de indiening van het verzoek mee geconfronteerd dat voor de jaarlijkse algemene vergadering nog een buitengewone algemene vergadering zal plaatsvinden. Vindt deze buitengewone algemene vergadering plaats op een tijdstip dat meer dan zestig respectievelijk dertig dagen verwijderd is van het tijdstip waarop het agenderingsverzoek is ingediend, dan is er geen probleem. Het agenderingsverzoek wordt verondersteld betrekking te hebben op deze buitengewone algemene vergadering.14 Resteert de vraag hoe het zit als de buitengewone algemene vergadering wordt bijeengeroepen op een kortere termijn dan de termijn die voor het indienen van agenderingsverzoeken geldt. Volgens Dortmond hoeft het voorgestelde punt dan niet in de agenda voor de buitengewone algemene vergadering te worden opgenomen.15 Ik meen daarentegen met Schwarz dat niet valt in te zien waarom het eerder doen plaatsvinden van een algemene vergadering rechtvaardigt dat het agendapunt mag worden opgeschoven naar een volgende vergadering.16 Alleen als het bestuur en de rvc kunnen aantonen dat zij te weinig tijd hebben om het agenderingsverzoek nog voor de buitengewone algemene vergadering te beoordelen, zal het punt naar de volgende vergadering doorgeschoven mogen worden.17