Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.5.4
IV.5.5.4 Relativiteit bij schenden van wettelijke plicht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460208:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In algemene zin zie ook Hartlief e.a. 2018, p. 69.
Nuninga 2018, par. 3.1.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/129; Hartlief e.a. 2018, nr. 65.
Zie uitvoeriger Asser/Sieburgh 6-IV 2019/138; Van Nispen, in: GS Onrechtmatige daad. IV.2.2.17.
Voor een voorbeeld van de correctie Langemeijer in het milieuprivaatrecht, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9689.
HR 17 januari 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2051, NJ 1961/568 (Tilburgse tandartsen). De leer werd onder meer herhaald in een andere zaak waarin een verbod werd gevorderd tegen een onbevoegde tandarts: HR 16 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5711, NJ 1989/505, m.nt. Brunner (Tandartsen II)
Zo volgt uit HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. Hijma (Duwbak Linda), r.o. 3.4.1.
HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1463, NJ 1996/199, m.nt. Brunner (Van den Brink/Staat), r.o. 4.3.2. Herhaald in o.a. Rb. Arnhem 20 september 1990, M&R 1991/13, m.nt. Gerritzen-Rode (Staat/Wepewe en Peters); Hof Leeuwarden 20 oktober 1993, ECLI:NL:GHLEE:1993:AD1964, NJ 1994/516 (AAgrunol/Staat), r.o. 2.5.
Bauw & Brans 2003, p. 65. In de jurisprudentie werd deze mogelijkheid voor het eerst erkend in HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD3741, NJ 1987/743, m.nt. Heemskerk (Nieuwe Meer), en bevestigd in HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0808, NJ 1994/139, m.nt. Brunner en Scheltema (Kuunders).
In Bleeker 2018b, par. 4.3 vestig ik de aandacht op de vraag voor wiens en welke belangen een belangenorganisatie in de zin van artikel 3:305a BW mag opkomen. Deze vraag is ook relevant voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden: wanneer een belangenorganisatie zich eenzijdig en laagdrempelig ieder en ieders belang kan aantrekken, wordt het relativiteitsvereiste betekenisloos.
Zie daaromtrent hierna par. IV.6.
Bleeker 2018b, par. 2.3. Zie in bestuursrechtelijke zin ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid), r.o. 10.51.
Met dank aan UCWOSL student-assistent Johanna Bürkert voor haar uitzoekwerk voor deze subparagraaf.
Een uitvoerige bespreking van het beschermingsbereik van tal van milieuvoorschriften kan worden gevonden in het overzichtsarrest ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid). Sinds 2013 is het relativiteitsvereiste ook opgenomen in het Awb, namelijk in artikel 8:69a Awb, en dit vereiste werkt in hoofdlijnen hetzelfde als het privaatrechtelijke relativiteitsvereiste. In De Poorter & Van Ettekoven 2013 staan de auteurs stil bij een aantal overeenkomsten en verschillen tussen de rechtsgebieden, de belangrijkste verschillen zijn dat de bestuursrechtelijke relativiteitseis een ‘kennelijkheidsvereiste’ heeft en minder gefixeerd is op schade is dan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid), r.o. 10.49, onder verwijzing naar ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836 (Moerdijk), ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 (Windpark Oude Maas) en ABRvS 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:872 (Nbw-vergunning Bergeijk).
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid), r.o. 10.51, onder verwijzing naar ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede), ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666 (Noordoostpolder), ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 (Windpark Oude Maas), ABRvS 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3655 (Terneuzen) en van ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412 (Tuibrug Hoorn).
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid), r.o. 10.52.
ABRvS 25 April 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1386, r.o. 13.2
Zie de annotatie van Onrust bij ABRvS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2091, M&R 2020/92.
ABRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:349 (Zandsuppletie Roggenplaat).
De jurisprudentie hieromtrent is casuistisch te noemen. Zie voor een overzicht van uitspraken ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid), r.o. 10.54.
ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1669 (Site Chemelot), r.o. 3.2: “De Wet milieubeheer strekt mede tot bescherming van de leefbaarheid van de omgeving van een inrichting.”
Kamerstukken II 2004/05, 29766 nr. 3, par. 1, en de considerans van Richtlijn nr. 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen.
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, AB 2021/42, m.nt. Nijmeijer (Twiske Zuid).
Algemeen
Bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ speelt het relativiteitsvereiste een belangrijke rol.1 Dit vereiste legt een normatief verband tussen de normschending en het geschonden belang.2 Daarnaast wordt het relativiteitsvereiste een instrumentele functie toegedicht: namelijk als correctiemechanisme om excessieve aansprakelijkheid te voorkomen.3 Het zorgt ervoor dat niet iedereen die ten gevolge van een toerekenbare normschending schade heeft geleden een schadevergoeding kan vorderen, maar alleen de personen (of specifieker: de schadesoorten, ontstaanswijzen en personen) die zijn aangewezen door de norm.
Wanneer een geschonden wettelijk voorschrift niet strekt tot de bescherming van de belangen van de eiser, kan de gedaagde nog steeds onrechtmatig handelen jegens de benadeelde, door het schenden van een aanverwante (doch zelfstandige) ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Zoals ik al eerder aangaf in par. IV.5.3.4 onder het kopje ‘reflexwerking’, kunnen niet-toepasselijke voorschriften de maatschappelijke betamelijkheid inkleuren.4 Deze juridische redenering wordt in het kader van het relativiteitsvereiste ook wel de ‘correctie Langemeijer’ genoemd, naar de procureur-generaal die haar verzonnen heeft.5
Aanleiding voor deze redenering was de Tilburgse tandartsen-casus: Dorenbos vestigt zich als tandarts in Tilburg zonder het daarvoor benodigde diploma. Andere tandartsen die concurrentie van hem ondervinden, stellen hem aansprakelijk voor het onbevoegd uitoefenen van de tandheelkunst. De rechter oordeelde dat de diplomaverplichting niet de belangen van de concurrenten beoogt te beschermen, maar dat deze verplichting bestaat in het belang van de volksgezondheid en ter bescherming van patiënten tegen ondeskundige beroepsuitoefening. Het feit dat de tandarts in strijd handelde met een wettelijke plicht, was echter wel een factor die door de rechter werd meegewogen bij het oordeel of er is gehandeld in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.6
Volgens vaste jurisprudentie moet op basis van het doel en de strekking van het voorschrift worden onderzocht welke schade, welke ontstaanswijzen van schade en welke personen worden beschermd.7 Voor het vaststellen van het doel en de strekking van een wettelijk voorschrift kan onder meer worden gekeken naar de inhoud van de wettelijke bepaling zelf, de plaats van de wettelijke bepaling, en naar de parlementaire geschiedenis. Wanneer de wetgever met een wettelijk voorschrift de belangen van een bepaalde groep beoogt te beschermen, is het niet nodig om – zoals bij een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm – vast te stellen dat de dader bedacht was of behoorde te zijn op de belangen van de benadeelde.8
Milieunormen uit wettelijke voorschriften zijn in ieder geval gericht op het voorkomen en beperken van milieuaantasting, en daarmee op de bescherming van het algemene milieubelang. Bauw en Brans wijzen erop dat het relativiteitsvereiste voor een belangenorganisatie die opkomt voor het betreffende milieubelang weinig problemen oplevert.9 Daarnaast bestaat de mogelijkheid om middels een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a BW in rechte op te komen voor milieubelangen.10 De schending van milieunormen is in beginsel onrechtmatig jegens milieuorganisaties die zich de betreffende belangen aantrekken, en jegens degenen die door middel van een collectieve actie (in de zin van artikel 3:305a BW) opkomen voor de betreffende belangen.
Milieubelangenorganisaties zullen overigens vaak geen schadevergoeding kunnen vorderen in verband met een overtreding van een voorschrift die strekt tot de bescherming van belangen waarvoor zij opkomen, omdat bij hen de door artikel 6:162 BW vereiste schade ontbreekt. Bijvoorbeeld, als bij een olieramp vogels komen te overlijden, dan heeft Stichting vogelbescherming zelf geen schade: de vogels waren immers niet hun eigendom. Voor een rechterlijk bevel geldt echter geen schadevereiste, waardoor milieubelangenorganisaties wel de naleving kunnen vorderen van deze voorschriften.11
In het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zijn er verschillende situaties denkbaar waarin het relativiteitsvereiste in de weg kan staan aan de aansprakelijkheid. Hierbij kan worden gedacht aan een situatie waarin de eisende milieubelangenorganisatie of 3:305a BW-organisatie opkomt voor een ander milieubelang dan het belang dat wordt beschermd door de geschonden milieunorm.
Zo is bijvoorbeeld het (in strijd met de regels inzake houtopstand van de Wet Natuurbescherming) omhakken van bomen, niet onrechtmatig jegens de Waddenvereniging.
Daarnaast kan relativiteit een obstakel vormen wanneer individuele eisers de leidinggevende aansprakelijk stellen voor een milieuovertreding in verband met een individueel belang. Als een bos wordt omgehakt, is dit bijvoorbeeld niet onrechtmatig jegens een persoon die incidenteel de randstad ontvlucht om een wandeling te kunnen maken in dit bos. Deze individuele eiser kan het relativiteitsvereiste overigens niet omzeilen door een beroep te doen op het algemene belang bij het behoud van bossen, want natuurlijke personen kunnen in rechte alleen opkomen voor eigen belangen.12
Voorbeelden13
Het antwoord op de vraag wie door milieuvoorschriften worden beschermd is niet in zijn algemeenheid te geven. Het beschermingsbereik verschilt per norm. Ter verduidelijking van de werking van het relativiteitsvereiste in het milieuprivaatrecht, bespreek ik hierna het beschermingsbereik van enkele milieuvoorschriften.14
Sommige milieuvoorschriften zijn primair gericht op de bescherming van personen en goederen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan artikelen 173a en 173b Sr, die verbieden om opzettelijk (173a Sr) of culpoos (173b Sr) wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater te brengen waardoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is. Uit de delictsomschrijving kan worden opgemaakt dat dit artikel in ieder geval personen beoogt te beschermen tegen gezondheidsschade (of overlijdensrisico) ten gevolge van de normschending. Uit de plaatsing van deze artikelen in Titel VII ‘Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht’ kan worden afgeleid dat schade aan goederen ook valt onder het beschermingsbereik van deze norm.
Andere milieuvoorschriften zijn juist specifiek gericht op de bescherming van bepaalde milieubelangen en bescherming van personen en bedrijven is een bijkomstigheid of zelfs niet beoogd. Neem bijvoorbeeld de Wet natuurbescherming (Wnb): zoals de naam doet vermoeden strekken veel bepalingen uit deze wet in de eerste plaats tot de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Zo overwoog de Afdeling recentelijk nog dat bepalingen in de Wnb (over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) “strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden”.15
In beginsel kan een natuurlijke persoon niet in rechte opkomen voor deze natuurwaarden. Slechts in bepaalde gevallen is de bescherming van natuurgebieden, plant- en diersoorten dusdanig verweven met individuele belangen van personen bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, dat zij toch worden beschermd door de Natuurbeschermingswet.16 Waarover de Afdeling:17
“Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor onder 10.51 bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van de appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied”
Uit de jurisprudentie over deze Wnb bepalingen blijkt dat met name afstand een belangrijke factor is. Zo werd een appellant die op 25 meter afstand van een Natura 2000-gebied woonde wel beschermd door bepalingen van soortenbeschermingsbepalingen Wnb, maar appellanten die op 126 meter afstand of meer woonden niet.18 In bestuursrechtelijke kringen wordt dan ook aangenomen dat alleen directe omwonenden een beroep kunnen doen op de bepalingen uit Hoofdstuk 3 Wnb wanneer door een ontheffing hun woon- en leefomgeving wordt aangetast.19
De soortenbeschermingsbepalingen van de Wnb strekken niet tot bescherming van bedrijfseconomische belangen, maar voor bedrijven kunnen ook uitzonderingen worden gemaakt wanneer hun belangen nauw verweven zijn met het algemeen belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het betrokken Natura 2000-gebied.20 Naast de afstand van het bedrijf tot het natuurgebied speelt de aard van bedrijvigheden een belangrijke rol bij de beoordeling of een bedrijfsbelang wordt beschermd. De jurisprudentie hieromtrent is casuïstisch te noemen. Voor een overzicht van uitspraken verwijs ik daarom naar het overzichtsarrest Twiske Zuid-arrest. 21
De ene Wnb-bepaling is de andere niet, dus per norm zal moeten worden bezien of de belangen van de eiser in kwestie worden beschermd. De Wet natuurbescherming combineert veel verschillende wettelijke regelingen en implementeert diverse richtlijnen, en niet al die regelingen en richtlijnen zien uitsluitend of zelfs specifiek op de bescherming van de natuur. Zo ziet de regeling voor soortenbescherming ook op de regulering van jacht en de handel in dode en levende dieren, en de regelingen van de Natuurschoonwet 1928 die ook zijn opgegaan in de Nbw, beogen bijvoorbeeld de instandhouding van landgoederen te bevorderen door eigenaren fiscale voordelen te verschaffen.
Veel milieunormen die belangrijk zijn voor milieubelastende activiteiten in bedrijfscontext zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Blijkens artikel 1.1 lid 2 sub a Wm maakt het belang van de bescherming van mensen deel uit van het milieubelang. Wm-regels lijken daarom in beginsel ook te strekken tot de bescherming van natuurlijke personen die opkomen voor een eigen belang, bijvoorbeeld een gezondheidsbelang of leefbaarheid van de omgeving.22 Per geval zal nog wel moeten worden beoordeeld of de specifieke schadesoort en ontstaanswijze valt binnen het beschermingsbereik van de betreffende Wm-bepaling.
Een hypothetisch voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat wordt ontdekt dat een grote industriële inrichting in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 16 Wm zijn stikstofdioxidenemissies onjuist rapporteert, en dat er in de media veel aandacht is voor deze milieuovertreding. Als hierdoor de aandelen van de onderneming in waarde dalen, dan hebben de aandeelhouders van de fabriek schade geleden ten gevolge van de milieuovertreding. Als de aandeelhouders hiervoor de drijver van de inrichting aansprakelijk stellen, dan loopt de vordering vast op het relativiteitsvereiste. De regels omtrent de rapportering van stikstofdioxiden zijn nodig voor een handel in NOx-emissierechten, en deze handel beoogt de kritische overschrijding van de richtwaarden geleidelijk aan te beëindigen.23 Waardevermindering van aandelen ten gevolge van de reputatieschade in verband met het sjoemelen met emissies, valt daarom buiten het beschermingsbereik van deze Wm-bepalingen.
Voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende zal moeten worden onderzocht of de eiser wordt beschermd door de milieunorm die is geschonden door de leidinggevende. Dit verschilt per norm, en dit proefschrift is niet de plaats om een uitputtend overzicht te geven. Voor meer informatie over het beschermingsbereik van diverse milieuvoorschriften, verwijs ik opnieuw door naar het overzichtsarrest ‘Twiske Zuid’.24