Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/19.3.1.2
19.3.1.2 Peildatum problematiek
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405791:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 december 2001, NJ 2005, 96, JOR 2002/38 (Sobi/Hurks).
Zie Verstijlen 2001, p. 85, onder verwijzing naar Rechtbank Utrecht 15 september 1999, NJkort 1999, 85 (Meijer q.q./Kakisina), Van Hooff 2006, p. 70 en Janssen & Boeve 2009, p. 120. Anders: Van Schilfgaarde in zijn noot onder HR 16 september 2005, NJ 2005, 311 (De Bont/Bannenberg q.q.) en Spinath in zijn noot onder Rb. Rotterdam 25 januari 2012, JOR 2012/167 (Watt).
Dit is ook geconstateerd in de toelichting bij het (inmiddels geparkeerde) Voorontwerp Insolventiewet 2008, p. 59. Zie ook Vroom & Kerstens 2013, p. 166-168.
Omdat bij een voortzetting van verlieslatende activiteiten sprake is “van een keten van gebeurtenissen, die bij de betrokkenen het inzicht […] doen groeien dat hun handelwijze niet (langer) geoorloofd is”, moet een peilmoment worden vastgesteld waarop de zorgplicht van de aandeelhouder jegens de vennootschapscrediteuren wordt geactiveerd.1 De aandeelhouder handelt onrechtmatig jegens de (contractuele) crediteuren waarvan de vordering dateert van na de peildatum; van een generieke schuldeisersbenadeling die leidt tot een ‘doorbraak’ is daarom geen sprake. In het Sobi/Hurks-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de vaststelling van de peildatum naar zijn aard een arbitrair karakter heeft en dat daarom een datum moet worden gekozen ten gunste van de aangesproken aandeelhouder.
Onduidelijk is of voortzetting van verlieslatende activiteiten ook onrechtmatig kan zijn jegens de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap, als daardoor de omvang van de schuldenlast is toegenomen (men spreekt van ‘vermeerdering van het passief’). Een aantal juridische auteurs beantwoordt deze vraag bevestigend en meent daarom dat de curator bevoegd is om ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren een vordering in te stellen tot vergoeding van dit specifieke nadeel, dat zou bestaan uit het verschil tussen de uitkering die de gezamenlijke schuldeisers in faillissement zouden hebben ontvangen zonder de ‘nieuwe’ schulden en de uitkering die zij krijgen met de ‘nieuwe’ schulden.2 Deze kwestie, waarover in de rechtspraak en de literatuur geen consensus bestaat,3 zal in het hiernavolgende buiten beschouwing worden gelaten.