Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/5.7.1.2
5.7.1.2 Schuldigbevinding
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859059:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 10.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15 en Casman 2013, p. 9.
Barbaix 2018, p. 429, Barbaix & Verbeke, RW 2012-13/nr. 30, p. 1163-1164, Barbaix & Verbeke, TEP 2013/3, p. 17 en Barbaix & Verbeke, in: Comm. Erf., art. 727, p. 13 (online, bijgewerkt tot 26 september 2013).
Cass. 8 december 2016, ECLI:BE:CAS:2016:ARR.20161208.6, T.Not. 2017, afl. 6, p. 513, Delnoy & Moreau 2018, p. 161-165.
Casman 2013, p. 16. Bij de bespreking van art. 4.6 § 1, 2° komt dit nader aan de orde (par. 5.7.2.3).
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 15.
Parl.St. Senaat 2011/12, nr. 5-550/3, p. 16. Vgl. ook Casman 2013, p. 9.
In de oude regeling is een veroordeling vereist voor onwaardigheid. Een veroordeling dekt niet alle gevallen van het schuldig veroorzaken van de dood.1 De huidige bepaling vordert een schuldigbevinding. Dit begrip is ruimer dan alleen een veroordeling. Een schuldig verklaring zonder veroordeling of opschorting van een veroordeling, dan wel uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf vallen hier ook onder.2 Verder is het irrelevant welke strafrechtelijke straf is opgelegd en of er bijvoorbeeld rekening is gehouden met verzachtende omstandigheden.3
Als sprake is van een strafuitsluitingsgrond, en van een schuldigbevinding dus geen sprake is, komt onwaardigheid niet in beeld.4 Met andere woorden: de gedraging moet strafrechtelijk aan de dader kunnen worden toegerekend. Evenmin komt onwaardigheid in het vizier als sprake is van verjaring van de strafvordering.5 Een schuldigbevinding kan dan ook niet (meer) volgen.
De onwaardigheid volgt uit de schuldigbevinding.6 De wetgever merkt daarbij op dat onwaardigheid het gevolg is van het schuldig bevinden aan een feit dat de dood heeft veroorzaakt.7 Hoewel de schuldigbevinding een constitutief vereiste is om tot onwaardigheid te komen bij artikel 4.6 § 1, 1° BBW, is het naar mijn mening niet de aanleiding tot onwaardigheid. Het strafbare feit, de misdraging, vormt de aanleiding tot onwaardigheid en niet de wijze van afdoening. In Nederland is dit niet anders.