Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.3.2
2.3.2 Familieondernemingen en personenvennootschappen
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395924:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Centraal bureau voor de statistiek: https://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=81588NED&D1=0-1,11,15-24&D2=0,3,9,13,52,54,59,63,70,77,80,90,94,98,108,117,119,121,127, 132,136,139&D3=32&HDR=G2,T&STB=G1&VW=T.
A.C. Breuer/A.J.A. Stevens, Fiscale ontwikkelingen in Duitsland, WFR 2016/3, paragraaf 7.
A.C. Breuer/A.J.A. Stevens, De Duitse Thesaurierungsbegünstigung voor IB ondernemingen: model voor Nederland? Rijkersbundel, 2013, hoofdstuk 27, blz. 383.
In de Nazi-tijd was deze zienswijze nog veel extremer. Van der Geld citeert een paar interessante passages uit de bundel: P.J.A. Adriani (red), Fiscale ervaringen 1940-1945, Amsterdam 1946. Harmsen merkt daarin op (blz. 16): “De Duitschers (Opmerking FE: bedoeld zijn hier de nazi’s) gingen uit van het principe, dat een koopman slechts varen mocht onder eigen vlag, dus zaken doen onder eigen naam, en daarom wilde men niets weten van de kleine besloten naamlooze vennootschap. Deze moest volledig wég-belast worden.” Verder geeft hij aan dat in de destijds Duitse rechtspraak naar voren is gekomen, dat de “Nationalsocialistischer Weltanschauung” gekant is tegen de anonieme rechtsvorm, omdat zij de eigen verantwoordelijkheid en de persoonlijke aansprakelijkheid voor eigen daden wil hooghouden. J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieserie nr. 31, 9e druk, Kluwer, 2013, paragraaf 2.2, voetnoot 25.
Een ander belangrijk verschil tussen Nederland en Duitsland is dat er in Duitsland relatief veel meer (grote) familieondernemingen zijn die gedreven worden in de rechtsvorm van een personenvennootschap, dat wil zeggen, een fiscaal transparant lichaam (in hoofdstuk 4 zal ik uitgebreider ingaan op de verschillende rechtsvormen en subjectieve onderworpenheid). Uit statistische cijfers blijkt bijvoorbeeld dat in Duitsland in 2015 van de 3.629.666 ondernemingen 666.231 gedreven werden via een kapitaalvennootschap. Daaruit blijkt dat ongeveer 18% van alle ondernemingen door middel van een GmbH of AG worden gedreven.1 In Nederland was het totaal aantal bedrijven in het eerste kwartaal 2015 1.468.250, waarvan 359.795 rechtspersonen.2 Dit betekent dat meer dan 24,5% de onderneming drijft door middel van een BV of NV. In Duitsland is het aandeel van personenvennootschappen dus relatief hoger dan in Nederland. Dit zal deels te maken hebben met het feit dat de IB-druk voor de winst uit onderneming in Duitsland lange tijd lager was dan de gecombineerde VPB- en IB druk bij kapitaalvennootschappen.3 Daarnaast is het verschil in gebruik van rechtsvormen volgens Breuer & Stevens4 deels een cultuurverschil dat teruggevoerd kan worden op de oude tradities van zelfstandig ondernemen en hoofdelijke aansprakelijkheid als bewijs van de persoonlijke betrokkenheid van de ondernemer.5
In Duitsland staan de middenstand en familieondernemingen van oudsher meer centraal dan in Nederland en wordt er meer dan in Nederland gebruik gemaakt van (fiscaal transparante) personenvennootschappen. Dit zou kunnen betekenen dat sommige in Duitsland ingevoerde rechtsregels vanuit dit perspectief kunnen worden verklaard. Het betekent mijns inziens, in ieder geval voor mijn onderzoek, dat ik er rekening mee moet houden dat de middenstand/grote familiebedrijven die de onderneming door middel van personenvennootschappen drijven relatief sterk vertegenwoordigd zijn en dat zij – al dan niet via belangengroeperingen of organisaties - een belangrijke stem (kunnen) hebben in de politiek en daarmee mogelijk ook op de fiscale wetgeving.