Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.6.4
7.6.4 Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180334:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 34 491, vergaderjaar 2015-2016, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Het wetsvoorstel voorziet ook in een van overeenkomstige toepassing voor de commissaris in artikel 2:11c (nieuw) BW.
Kamerstukken 34 491, Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 6-7.
Kamerstukken 34,491, Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, nr. 7 (Nota van wijziging). Tegelijkertijd wordt voorgesteld artikel 2:50a BW zodanig te wijzigen dat artikel 2:138 lid 2 BW alleen van overeenkomstige toepassing is voor een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen of een vereniging die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 Boek 2 BW. Voorgesteld wordt om artikel 2:300a BW op vergelijkbare wijze te wijzigen, zodat artikel 2:138 lid 2 BW alleen van overeenkomstige toepassing is voor de stichting die aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen of bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 Boek 2 BW.
Kamerstukken 34 491, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, nr. 3 (MvT).
Hetzelfde geldt voor de openbaarmakingsplicht van artikel 2:394 BW.
C.M. Harmsen, ‘Artikel 2:9c BW: Aansprakelijkheid van bestuurders in geval van faillissement van de rechtspersoon’, Ondernemingsrecht 2017/104.
In het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen1, dat op 8 juni 2016 is ingediend bij de Tweede Kamer, is voorgesteld artikel 2:138/2:248 BW te verplaatsen naar een nieuw artikel 2:9c BW. Als gevolg van de beoogde verplaatsing van de inhoud van artikel 2:138/2:248 BW naar artikel 2:9c (nieuw) BW, zou de aansprakelijkheid van bestuurders2 in geval van faillissement voortaan gelden voor alle rechtspersonen, dus ook voor bestuurders van een niet-commerciële stichting en een niet-commerciële of informele vereniging. Voor onbezoldigde bestuurders van deze laatste entiteiten werd de tekst van artikel 2:9c lid 2 (nieuw) BW aangevuld met een uitzondering op de toepasselijkheid van de bewijsvermoedens van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW. Naar aanleiding van kritiek op het beoogde artikel 2:9c BW3 heeft de minister voor Rechtsbescherming bij nota van wijziging het voorstel van wet zodanig gewijzigd dat het beoogde artikel 2:9c BW komt te vervallen en artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW blijft bestaan.4
In de Memorie van Toelichting is geen woord gewijd aan de vraag of het nog nodig en/of gewenst is om het schenden van de administratieplicht aan te merken als vaststaand kennelijk onbehoorlijk bestuur waarvan wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.5 Ook in de tot op heden verschenen Kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen is dit geen onderwerp van discussie. De tot op heden gevoerde discussie over artikel 2:9c BW is of artikel 2:138 lid 2 BW wel of niet van toepassing moet zijn op al dan niet bezoldigde bestuurders van niet-commerciële stichtingen en niet-commerciële of informele verenigingen.
Hieruit leid ik af dat de minister voor Rechtsbescherming van mening is dat de administratieplicht nog steeds geldt als een fundamentele bestuursverplichting, waarvan schending – behoudens onbelangrijk verzuim – moet blijven leiden tot de vaststelling dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, waarvan wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.6 Het verdere wetgevingsproces van het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen zal moeten worden afgewacht om te kunnen vaststellen of de wetgever ruim dertig jaar na de inwerkingtreding van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW nog steeds van oordeel is dat de administratieplicht een zodanig elementaire verplichting is voor het bestuur dat niet-naleving ervan de consequenties rechtvaardigt zoals die thans vastliggen in artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW.7