Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.4.1:12.4.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.4.1
12.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492322:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran and Francis), FED 2008/81 (m.nt. Thomas), § 57.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De afweging van individuele en publieke belangen is wel aan de orde in de zaak O’Halloran en Francis. Daarin lijkt het EHRM een bijzonder regime voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht in verkeerszaken te aanvaarden, die steunt op de noodzaak van verkeersregulering binnen de verdragsstaten. In deze Engelse verkeerszaak werd de (voor de toepasselijkheid van het recht tegen gedwongen zelfbelasting vereiste) dwang opgeroepen door de omstandigheid dat eigenaren of bestuurders van voertuigen weten dat zij zich onderwerpen aan een gereguleerd regime. Dat regime is niet opgelegd omdat het bezitten of besturen van een auto een voorrecht of een gunst is die door de staat is toegekend, maar omdat het bezit en gebruik van auto’s ernstig letsel kunnen oproepen. Daarbij trekt het Hof een parallel met het bezit en gebruik van wapens. Bezitters en bestuurders van auto’s worden (daarom) geacht bepaalde verantwoordelijkheden en verplichtingen te hebben aanvaard als onderdeel van een gereguleerd regime betreffende motorrijtuigen. In de nationale rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk omvatten deze verantwoordelijkheden de verplichting voor eigenaren of bestuurders van auto’s, om in geval van een vermoedelijk begane verkeersovertreding de autoriteiten te informeren over de identiteit van de bestuurder.1
Bij zijn oordeel dat het belang van de verkeersveiligheid prevaleert boven het zwijgrecht van eigenaren van voertuigen, weegt het Hof mee dat verkeersdeelname een keuze is van eigenaren/bestuurders van voertuigen. Bovendien is de dwang tot medewerking in casu beperkt tot gevallen waarin de bestuurder van het voertuig een verkeersdelict heeft gepleegd. Ten slotte zien de vragen alleen op de identiteit van de bestuurder. Redenen waarom de antwoordplicht van klagers volgens het Hof niet in strijd komt met het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting.