De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.2.1:11.2.1 Ontwerp 1910 en WvK 1929/1971
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.2.1
11.2.1 Ontwerp 1910 en WvK 1929/1971
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375838:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928, Stb. 1928, 216, in werking getreden op 1 april 1929.
Zie Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 19 en 361.
Belinfante (1929), p. 27.
Belinfante (1929), p. 98-99.
Zie GS Rechtspersonen/F. Veenstra, art. 2:346 BW, aant. 6.1.1 (online bijgewerkt tot 1 mei 2016).
Zie GS Rechtspersonen/F. Veenstra, art. 2:346 BW, aant. 6.1.2 (online bijgewerkt tot 1 mei 2016).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de oude enquêteregeling in het WvK 1929 zijn niet alleen aandeelhouders die ten minste een vijfde gedeelte geplaatst kapitaal hielden enquêtebevoegd (art. 54 WvK 1929). Destijds bestond ook de mogelijkheid dat in de akte van oprichting of in een overeenkomst aan anderen dan de aandeelhouders de enquêtebevoegdheid werd toegekend (art. 54 WvK 1929).1
De enquêtebevoegdheid voor ‘anderen dan aandeelhouders’ vindt zijn oorsprong in het Ontwerp 1910, ook wel het Ontwerp Nelissen genoemd.2 Ingevolge art. 52e van het Ontwerp 1910 kan bij de akte van oprichting of bij overeenkomst aan anderen dan de aandeelhouders de enquêtebevoegdheid bij een vennootschap als bedoeld in art. 52d Ontwerp 1910 worden toegekend.3
Uit de toelichting op het Ontwerp 1910 blijkt dat minister Nelissen van mening is dat derden die een bepaalde overeenkomst met de vennootschap sluiten, ook de mogelijkheid moeten hebben om het enquêterecht te bedingen. Nelissen doelt in eerste instantie op overeenkomsten tot geldleningen door uitgifte van obligaties. Op basis van die overeenkomst beschikt de vennootschap doorgaans over een grote geldsom. Evenals de aandeelhouder, zij het wellicht geringer, hebben de obligatiehouders volgens Nelissen een onbetwistbaar belang bij het goede beheer van de vennootschap. Dat geldt zijns inziens eveneens voor een persoon die slechts een bedrag leent aan de vennootschap. Iemand die enkel een substantieel bedrag aan de vennootschap leent, heeft niet een geringer of een minder rechtmatig belang bij het goede beheer van de vennootschap dan obligatiehouders. Om deze reden geeft Nelissen de voorkeur aan de meer algemene term ‘anderen dan aandeelhouders’. Ook verzekerden, wanneer het een verzekeringsmaatschappij betreft, kunnen volgens hem baat hebben bij een contractueel enquêterecht. Om de praktijk ‘geen onnodige banden opleggen’ kiest Nelissen ervoor om een uitdrukking te hanteren die alle categorieën van belanghebbenden omvat.4
De enquêtebevoegdheid voor ‘anderen dan aandeelhouders’ is uiteindelijk opgenomen in art. 54 WvK 1929.5 De bepaling heeft de aanpassing van het WvK rond 1970 geruisloos doorstaan. Het werd alleen iets anders geformuleerd en verplaatst naar art. 53c WvK 1971. In dit artikel komt de enquêtebevoegdheid toe aan “degenen, aan wie daartoe bij de akte van oprichting of bij overeenkomst met de vennootschap de bevoegdheid is toegekend.”6