Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/4.2.1
4.2.1 19e eeuw: Opkomst accountantsberoep in Nederland
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS603726:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sternheim 1935, p. 7.
Bindenga 1973, p. 120. Zie voor een grafische weergave van de groei van de N.V.’s in Nederland De Jongh 2014, p. 205. De Jongh (2014, p. 202 – 203) merkt tevens op dat ook de wettelijke vereisten die aan de oprichting van de N.V. worden gesteld – bijvoorbeeld de dwingendrechtelijke bepalingen voor de bescherming van vennoten en crediteuren en de beperkingen op de proportionele uitoefening van stemrechten op aandelen in de NV (art. 54 WvK 1838) – een verklaring kunnen bieden voor de langzame opgang van de N.V.
Sternheim 1935, p. 10.
Sinds de aanvang van het moderne vennootschapsrecht bestaat o.g.v. art. 6 t/m 9 Boek I WvK 1838 de verplichting tot het bijhouden van de vennootschappelijke administratie.
Sterker nog controleren van de administratie, of als commissaris of aandeelhouder de bestuurder bevragen over de financiële verslaglegging werd gezien als een onaanvaardbare aantasting van de status van de bestuurder en een inbreuk op zijn geloofwaardigheid, zie De Vries, 1985 p. 35.
Zie voor een toegankelijk en bondig stuk over het leven van Pincoffs Quadackers 2015a. Zie voor meer uitvoerige beschouwingen en achtergronden Klein 1963, p. 2-35, Oosterwijk 1979 en Oosterwijk 2011.
Deze tegenslagen bestonden onder meer uit een brand in een van de Afrikaanse pakhuizen, het vergaan van enkele schepen en ziekte bij de zaakwaarnemers in Afrika.
Oosterwijk 1979, p. 84-86.
Zo is uit de financiële administratie de waarde van gebouwen en schepen niet te bepalen en is ook de omvang van de voorraad onduidelijk, tevens is alle handel samengevat in één saldocijfer. Klein 193, p. 21; Oosterwijk 1979, p. 89.
Onder meer via een ponzifraude, het afsluiten van kortlopende kredieten bij buitenlandse banken, speculeren op de beurs en het kopen van aandelen in de AHV N.V. met de Rotterdamsche Handel-Vereeniging die eveneens door Pincoffs opgericht was. Zie nader Klein 1963, p. 11, 30.
Klein 1963, p. 18.
Klein 1963, p. 19.
De Hoge Raad stelde in 1880 vast dat de door de AHV N.V. gerapporteerde winst van twee miljoen gulden in werkelijkheid een verlies van acht miljoen gulden was. De Vries 1985, p. 35. Pincoffs wordt overigens bij verstek veroordeeld voor ‘valsheid in geschriften van Koophandel en bedrieglijke bankbreuk’ (Klein 1963, p. 25) omdat hij voor het faillissement naar de Verenigde Staten vlucht omdat Nederland daar destijds geen uitleveringsverdrag mee had. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de vlucht van Pincoffs: Oosterwijk 2011, p. 159-177.
De Vries 1985, p. 36. Overigens werd de titel ‘accountant’ rond 1893 voor het eerst gevoerd door E. van Dien. Sternheim 1935, p. 11. De oprichting van het ‘Bureel van boekhouding’ in Rotterdam in 1883, later ‘Confidentia’ geheten, wordt, in retrospect, gezien als het eerste accountantskantoor van Nederland. Zie hierover nader Bindenga 1973, p. 121 en Sternheim 1935, p. 11.
Zie o.a. De Vries 1985, p. 35; Quadackers 2015a, p. 44. Overigens is het Pincoffs- schandaal voor de stad Rotterdam ook zeer waardevol gebleken doordat veel van de door Pincoffs verdiende gelden in de stad en ontwikkeling van de haven zijn geïnvesteerd. Zie nader onder meer Oosterwijk 2011, p. 100-108.
Zie Sternheim 1935, p. 11-12. Eind 19e eeuw werkten de meeste ‘accountants’ als boekhouder in een administratieve functie bij een vennootschap en voerden zij ‘accountantsopdrachten’ in hun vrije tijd uit.
Koninklijke goedkeuring van het NIVA volgt in 1895, zie Stb. 1895, 39. Overigens riep het Engelse woord ‘accountant’ in de naam van het NIVA wel bezwaren op, maar bleef het onderdeel van de naam bij gebrek aan een goed Nederlands alternatief. Sternheim 1935, p. 13. Ook in uit de parlementaire geschiedenis volgt dat voor duiding van de (rol en taak van de) accountant naar het Verenigd Koninkrijk wordt gekeken, zie onder meerKamerstukken II, 1892/93, 71, 7, p. 27, Kamerstukken II, 1894/95, 81, 6, p. 18 enKamerstukken II 1895/96, 10, 1, p. 3.
Sternheim 1935, p. 13. Zie ook Wet tot regeling van het beroep van accountant, nr. 1, Verzoekschrift aan H.M. de Koningin, augustus 1900 en Bindenga 1973, p. 121. Romeinse cijfers zijn een eigen toevoeging.
In de statuten van het NIVA wordt hier al rekening mee gehouden door te bepalen dat het accountantsberoep niet samen met (niet genoemde) andere beroepen uitgevoerd kan worden wanneer particuliere belangen van de accountant in strijd komen met die van de cliënt, Sternheim 1935, p. 16.
Aan de leden van het NIVA werden eisen omtrent de vakbekwaamheid gesteld. Vakbekwaamheid kan daarmee gezien worden als een van de oudste fundamentele beginselen van het accountantsberoep. (Zie art. 2 Verordening gedrags- en beroeps regels accountants waarin als fundamentele beginselen van het accountantsberoep professionaliteit, integriteit, objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, en vertrouwelijkheid worden genoemd.) Zie Sternheim 1935, p. 15 en Bindenga 1973, p. 121.
Sternheim 1935, p. 14.
Bindenga 1973, p. 121.
Sternheim 1935, p. 10
Citaat uit Weekblad van het Recht van 7 augustus 1895, nr. 6680 opgenomen in Sternheim 1935, p. 19.
Hierbij kan gedacht worden aan het geven van administratieve bijstand, bijvoorbeeld door het verbeteren van gebrekkige administratie, het adviseren bij de inrichting van de boekhouding en het samenstellen van verantwoordingen hieruit. Zie Sternheim 1935, p. 10; en Bindenga 1973, p. 121. Dit beeld volgt ook uit de parlementaire stukken. Daarin wordt de adviserende rol van de accountant bijvoorbeeld zichtbaar wanneer de accountant wordt gevraagd om problemen op te lossen bij de waardering van delfstoffen uit de Indische mijnen. Handelingen II, 1898/99, 8 maart 1899, p. 851. Of bij het uitrekenen van de aanbesteding bij het contracteren van de Koninklijke Pakketvaartmaatschappij, Handelingen II, 1898/99, 28 februari 1899, p. 1899. De administratieve taken van de accountant zijn bijvoorbeeld af te leiden uit Handelingen II, 1899/00, 19 december 1899, p. 883.
Sternheim 1935, p. 19. Hoewel bij het opstellen van de Faillissementswet van 1896 niet aan de accountant zal zijn gedacht, wordt in de Nederlandse praktijk in de jaren rondom 1900 de deskundigheid van de accountant op grond van art. 221 Fw 1896 ingeroepen bij het verlenen van surseance van betaling, zie Sternheim 1935, p. 10 en 25. Ook uit de Tweede Kamerstukken uit de periode tot 1900 kan afgeleid worden dat de ‘accountant’ in algemene zin gewaardeerd wordt om zijn deskundigheid. De accountant wordt beschreven als een hoogopgeleide man met kennis van de administratie die, mede daardoor, in aanmerking komt voor de hogere posities in de samenleving, zie bijv. het voorstel van enkele Tweede Kamerleden om de accountant voor zitting in een staatscommissie te benoemen, Kamerstukken II, 1899/00, 2.VIII., 18, p. 13.
Sternheim 1935, p. 10-11.
Roon Swaan 1895, p. 58-59.
De Roon Swaan 1895, p. 59.
Sternheim 1935, p. 17. De controle van de accountant zag in die tijd op het verifiëren of de jaarstukken aansluiting vertoonden met de boekhouding en of de financiële verslaggeving boekhouding juist was opgesteld. Door middel van steekproeven werd de formele juistheid van de boekhouding geverifieerd maar voor de omvang en uitvoering van de steekproef waren geen regels opgesteld. Zie nader Bindenga 1973, p. 121. De controletaak van de accountant blijkt ook uit de Kamerstukken uit deze periode, zie bijvoorbeeld Handelingen II 1898/99, 22 november 1898 p. 169 waaruit blijkt dat de inkomsten en uitgaven van de Nederlands-Indische kolonie onder de controle van een accountant vallen. De Roon Swaan (1895, p. 59) merkt hierover op dat als er een wettelijke regeling voor accountants tot stand komt er eveneens in de wet moet worden opgenomen dat commissarissen, op kosten van de vennootschap, een accountant moeten kunnen inhuren.
Zie voor duiding van het begrip ‘beroep’ en de vraag of het accountantsberoep wel een beroep is Van der Waals 2017, p. 17 e.v. (par. 2.2.).
De opkomst van het accountantsberoep in Nederland hangt nauw samen met de economische ontwikkeling. Aan het begin van de 19e eeuw was de Nederlandse maatschappij nog weinig kapitaalintensief en de suikercrisis in India belemmerde de economische groei van Nederland en Europa.1 Hoewel het sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Koophandel (‘WvK’) van 1838 mogelijk was een N.V. op te richten in Nederland bleven de VOF en CV door hun eenvoud en flexibiliteit de meest voorkomende vennootschappen.2 De behoefte tot aantrekken van kapitaal, en daarmee samenhangend de behoefte gebruik te maken van de N.V., ontstond tegen het einde van de 19e eeuw. De economie trok na het doorstaan van de crisis weer aan en industrialisatie leidde tot toename van fabrieksmatige productie. De omvang van Nederlandse vennootschappen groeide.3 Deze groei droeg bij aan de vraag naar advies met betrekking tot boekhouding en bedrijfsvoering.4 Er ontstonden boekhoudbureaus waar boekhouders werkten die in deze behoeften konden voorzien en vennootschappen konden bijstaan in het voldoen aan de wettelijke administratieverplichting.5 Controle van de vennootschappelijke administratie was (nog) niet verplicht.6 Het Pincoffs-schandaal heeft daar verandering in gebracht.
Lodewijk Pincoffs was een Rotterdamse handelaar die zich met zijn Afrikaansche Handels-Vereeniging (‘AHV’) CV richtte op de (ruil)handel met Afrika.7 De AHV CV was verlieslijdend en tegenslagen zette het voortbestaan van de vennootschap onder druk, wat tot de noodzaak leidde om kapitaal aan te trekken.8 In 1868 werd de AHV CV omgezet in een N.V. en werd een maatschappelijk kapitaal van vier miljoen gulden in de vennootschap gebracht.9 Het kapitaal werd echter verschaft op basis van een onjuiste vennootschappelijke administratie.10 Na omzetting bleef de AHV N.V. echter verlieslijdend. Om dit te verhullen continueerde de AHV N.V. met het rapporteren van winsten en het uitkeren van dividend aan de aandeelhouders en vergaarde Pincoffs op diverse manieren kapitaal voor de AHV N.V. om het voorbestaan van de vennootschap te kunnen borgen.11 In 1879 ontdekte een commissaris van de AHV N.V. de zorgwekkende financiële situatie van de AHV. N.V.12 Een reddingspoging mocht niet meer baten. De AHV N.V. ging failliet.13 Na het faillissement van de AHV N.V. vond een doorstart plaats in de ‘Nieuwe Afrikaanse Handelsvereniging’ N.V. In de statuten van de ‘Nieuwe Afrikaanse Handelsvereniging’ N.V. werd vervolgens de verplichting tot benoeming van een interne controleur opgenomen waarmee getracht werd bij te dragen aan een juiste administratie en te voorkomen dat gerapporteerde vennootschappelijke winsten in werkelijkheid verliezen zijn.14 Deze interne controleur, B.P. van IJsselstein, wordt gezien als de eerste Nederlandse (interne) accountant.15 Het Pincoffs-schandaal is zo verworden tot mijlpaal in de Nederlandse geschiedenis van het accountantsberoep omdat het de aanleiding vormde voor een maatschappelijke verandering waarin controle op de vennootschappelijke administratie wenselijk werd geacht.16
De groei van het aantal boekhoudbureaus en het gangbaarder worden van het gebruik van de titel ‘accountant’ droegen bij aan de idee dat er door accountants waarborgen voor bekwaamheid van accountants gecreëerd moesten.17 Op initiatief van de leden van boekhoudbureau Confidentia werd daarom in 1894 – in navolging van accountants uit het Vereniging Koninkrijk – de eerste Nederlandse beroepsvereniging van accountants opgericht, het Nederlandsch Instituut van Accountants (‘NIVA’).18 Het NIVA had als doelomschrijving:
(i) Den stand der accountants in Nederland te organiseren. (ii) Propaganda te maken voor het bezigen van accountants. (iii) Te streven naar eene wettelijke regeling van het beroep van accountant als controleur van boeken en rekeningen, liquidateur en administratief expert.19
Het NIVA beoogde een groep onafhankelijke20 en vakbekwame21 deskundigen te vormen om de integriteit van de accountant te kunnen borgen.22 Hoewel voorgaand ideëel klinkt, lijkt de wens van de accountants om de kwaliteit te borgen vooral vanuit een economische rationale te zijn ontstaan waarbij streven naar een wettelijke regeling geacht werd bij te dragen aan een verankering in het maatschappelijk verkeer met daarbij behorende (constante) inkomstenbron.
De oprichting van het NIVA wordt door Bindenga geduid als de start van de standaardisatie van de activiteiten van de accountant en de start van de eerste fase van ontwikkeling van het accountantsberoep in Nederland.23 En dat terwijl er nog geen duidelijk beeld bestond bij de taken van de accountant.24 Door de juristen werd de accountant eind 19e eeuw bijvoorbeeld omschreven als “iemand, die door ervaring en studie een scherp inzicht heeft verkregen in allerlei administratieve aangelegenheden, en in staat is, daarover een juist en onafhankelijk oordeel uit te spreken”.25 Deze brede omschrijving betekende in de praktijk dat de accountant een rol vervulde bij het geven van (boekhoudkundig) advies.26 Ook werd de deskundigheid van de accountant gevraagd bij de aanvraag van de surseance van betaling en werkten juristen en accountants met regelmaat samen bij bijvoorbeeld ontbindingen van firma’s.27 Tevens werd de deskundigheid van de accountant bij bedrijfseconomisch en comptabel advies ingeroepen, bijvoorbeeld voor ondersteuning bij de berekeningen die nodig zijn bij omzetting van de rechtsvorm.28 De Roon Swaan bepleitte in zijn proefschrift dat accountants ook commissarissen kunnen helpen bij het nakijken van de boekhouding.29 In 1895 waren er al enkele commissarissen die zich over de juistheid van de cijfers lieten voorlichten door een accountant.30 Het NIVA sloot bij deze praktijk aan door bij de grote N.V.’s – die veelal in het bezit waren van statutair verplichte controleorganen – de aandacht te vestigen op de mogelijkheden voor commissarissen om hun controletaken over te dragen aan vakbekwame accountants.31 De opkomst van het accountantsberoep met de hiervoor beschreven vervlechting van de accountantswerkzaamheden in de Nederlandse praktijk eind 19e eeuw, markeert het eindpunt van de eerste ontwikkelingsfase van totstandkoming van kwaliteitsbevorderende maatregelen voor accountantsorganisaties.32