Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/3.6.2
3.6.2 Zijn mensenrechtennormen ook van toepassing op klimaatmaatregelen door bedrijven?
prof. mr. dr. K. Arts, prof. mr. M.W. Scheltema , datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
prof. mr. dr. K. Arts, prof. mr. M.W. Scheltema
- JCDI
JCDI:ADS376362:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Loc. cit. n. 53.
Zie www.climateliabilitynews.org/2018/10/25/total-oil-france-climate-change/.
Zie www.climateliabilitynews.org/2018/05/30/shell-climate-lawsuit- netherlands/. Zie daarover ook J. Spier, ‘Private Law as a Crowbar for Coming to Grips with Climate Change?’, in Climate Change: Options and Duties under International Law, Medelingen van de KNVIR, nr. 145, Den Haag: Asser Press, 2018, p. 46.
Zie de Initial Assessment van 14 november 2017 van de Nederlandse NCP, alsmede op de ontvankelijkheid www.ing.com/Newsroom/All-news/ INGs-response-to-the-admissibility-of-a-complaint-to-the-National-Contact-Point.htm.
Zie de klacht van Oxfam c.s., www.oxfamnovib.nl/Files/rapporten/ 2017/OECD%20complaint%20against%20ING%202017.pdf, en de reactie daarop van ING, www.ing.com/Newsroom/All-news/Reaction-to-National-Contact-Point-notification-about-ING-by-Greenpeace-BankTrack- Milieudefensie-and-Oxfam.htm, alsmede op de ontvankelijkheid www.ing. com/Newsroom/All-news/INGs-response-to-the-admissibility-of-a-complaint-to-the-National-Contact-Point.htm.
Zie www.oecdguidelines.nl/documents/publication/2017/11/14/publication-dutch-ncp-initial-assessment-filed-by-4-ngos-vs.-ing-bank.
In de literatuur vallen ook aanwijzingen te vinden voor de gedachte dat het klimaat onder de OECD Guidelines valt. Zie bijvoorbeeld H. Mulder en M. Scheltema, ‘Synthesis and Further Perspectives’, in: H. Mulder, M. Scheltema, S. van der Foort & C. Kwan (eds), OECD Guidelines for Multinational Enterprises: a Glass Half Full, A Liber Amicorum for Dr. Roel Nieuwenkamp, Paris: OECD, 2018, p. 15 te vinden op www.oecd.org/investment/mne/OECD-Guidelines-for-MNEs-A-Glass- Half-Full.pdf. Ook bijvoorbeeld in de op mensenrechten betrekking hebbende Corporate Human Rights Benchmark wordt dit verband echter niet expliciet gelegd. Zie voor deze benchmark www.corporatebenchmark.org/ news.
Zie Expert Group on Climate Obligations of Enterprises, Principles on Climate Obligations of Enterprises, The Hague: Eleven, 2018, p. 41 en 72 e.v., te vinden op https://climateprinciplesforenterprises.files.wordpress. com/2017/12/enterprisesprincipleswebpdf.pdf, onder verwijzing naar een rapport dat voor de expertgroep is opgesteld door Yale Law School, te vinden op https://law.yale.edu/system/files/documents/pdf/Climate_and_Human_Rights__Memo.Final.pdf. Zie p. 75 in het rapport van de Expert Group specifiek voor de UNGP, p. 84, 85 en 87-89 voor de OECD Guidelines, en p. 94 voor ISO 26000. Zie ook Spier, loc. cit. n. 139, p. 49- 51.
Expert Group on Climate Obligations of Enterprises, ibid., p. 67.
Ibid.
Ibid., p. 68.
Vergelijk ibid., p. 82.
Ibid., p. 101 en 102. De Expert Group wijst daarnaast op het belang van aansprakelijkheids- en milieunormen in het nationale recht. Zie ibid., p. 68-78.
Ibid., p. 106. Dat geldt echter volgens de Expert Group niet voor grote ondernemingen uit landen die hun uitstootplafond nog niet halen en die ook in andere landen die boven dat plafond zitten actief zijn: voor hen geldt nog geen reductieverplichting. Zie ibid., p. 107.
Ibid., p. 154-158. Daarnaast zijn in ieder geval staatsbedrijven en andere overheidsorganisaties volgens de Expert Group gehouden mensenrechten in acht te nemen. Zie ibid., p. 81.
Zie Principle 17 en ibid., p. 149 en 160-166.
Zie voor dit convenant www.imvoconvenanten.nl/verzekeringssector/ news/2018/7/verzekeringssector-maakt-afspraken.
EHRM 9 december 1994, AB 1996, 56, m.nt. Van der Vlies (Lopez Ostra/Spanje); EHRM 10 juli 2003, AB 2003, 445, m.nt. Woltjer (Hatton c.s./VK). De in de Principles 9 en 10 vastgelegde verplichting is daar ook op gebaseerd. Zie Expert Group on Climate Obligations of Enterprises, loc. cit. n. 144, p. 143144.
Zoals in de vorige paragraaf is uiteengezet, is die gehoudenheid deels verankerd in wetgeving maar deels ook niet. Voor zover dat niet het geval is, is de afdwingbaarheid van het nemen van maatregelen lastiger. Vergelijk Spier, loc. cit. n. 139, p. 44.
Zie over dit probleem voor staten bijvoorbeeld D. Bodansky, J. Brunnee and L. Rajamani, International Climate Change Law, Oxford University Press, 2017, p. 51 en 52.
Zie bijvoorbeeld Spier, loc. cit. n. 139, p. 39.
Het eerder in dit preadvies besproken verband tussen klimaatverandering en mensenrechten leidt ons nu naar de vraag of de hiervoor genoemde (deels al wettelijk verankerde) mensenrechten due diligence meebrengt dat bedrijven ook op het terrein van het tegengaan van klimaatverandering maatregelen moeten nemen.
Interessant is dat momenteel (ook) tegen bedrijven (en financiële instellingen) al procedures aanhangig worden gemaakt om maatregelen in verband met klimaatverandering te nemen. Deze hebben overigens niet steeds een mensenrechtelijke achtergrond en zijn dan op andersoortige (zorgvuldigheids)normen gebaseerd. Inmiddels zijn er echter wel zaken aanhangig of aangekondigd die de noodzaak om maatregelen te nemen om klimaatverandering tegen te gaan, dan wel om daarover transparant te zijn, wel expliciet baseren op de UNGP of de OECD Guidelines. Een voorbeeld is de al eerder genoemde aangekondigde nationale rechtszaak tegen Total in Frankrijk.1 Het verwijt aan Total is gebaseerd op de in de Franse wetgeving opgenomen verplichting een human rights due diligence plan (dat is gebaseerd op de UNGP en OECD Guidelines) op te stellen en te implementeren. Het verwijt houdt in dat Total deze verplichting schendt nu het onvoldoende maatregelen neemt om klimaatverandering tegen te gaan.2 Ook tegen Shell is in Nederland een klimaatzaak aanhangig.3 Buiten de nationale rechters is een klacht van onder andere Oxfam, BankTrack en Milieudefensie tegen ING bij het Nederlandse NCP aanhangig gemaakt over het achterwege blijven van een publieke rapportage van ING over de impact die haar cliënten hebben op klimaatverandering.4 Partijen verschillen in dat verband onder meer van mening over of een dergelijke rapportage überhaupt mogelijk is, en of een dergelijke verplichting op de OECD Guidelines kan worden gebaseerd.5 Het NCP heeft de klacht echter ontvankelijk geacht en te kennen gegeven dat de beoordeling van de milieu-impact die bedrijven op grond van de OECD Guidelines moeten uitvoeren ook het klimaat omvat, zich niet alleen uitstrekt tot de bank zelf maar ook tot zijn waardeketens en dat acceptatie van de klacht bijdraagt aan het doel van de OECD Guidelines en de effectiviteit daarvan verhoogt.6 Ook is, naar wij hiervoor al bespraken, een klimaatzaak aanhangig gemaakt tegen 47 grootste oliebedrijven bij de Filipijnse mensenrechtencommissie.
De hiervoor genoemde OECD Guidelines en UNGP verbinden de noodzaak om klimaatmaatregelen te nemen echter niet expliciet met de in deze raamwerken genoemde verplichting van bedrijven om mensenrechten te respecteren, hoewel dat daarin mede blijkens de hiervoor genoemde beslissing van het Nederlandse NCP wel valt te lezen.7 Het meest expliciet over dit verband is de Expert Group on Climate Obligations of Enterprises.8 Zij wijzen erop dat nationale rechters mensenrechten ook al toepassen via open normen, zelfs als het gaat om soft law, in gevallen waarin dwingend specifiek nationaal recht ontbreekt.9 Naar Nederlands recht kan men in dat verband denken aan toepassing van de Kelderluik criteria op klimaatvraagstukken.10 Het gaat volgens de Expert Group overigens om open normen in de landen waarin bedrijven actief zijn.11 Daarnaast beïnvloeden mensenrechten ook nationale en internationale normen en dat is op het terrein van het klimaat voor zover dat samenhangt met mensenrechten niet anders.12 Veelal zijn in nationaal recht ook al bindende mensenrechtennormen opgenomen.13 De verplichting om mensenrechten te respecteren is voor bedrijven dan ook niet optioneel.14 Wel rust, mede gelet op de OECD Guidelines en de UNGP, op grotere (internationale) ondernemingen een grotere verantwoordelijkheid dan op kleinere.15 Dit alles betekent echter niet dat de omstandigheid dat maar een kleine bijdrage wordt geleverd aan de totale uitstoot in de weg zou staan aan de reductieverplichting.16 Daarnaast volgt uit het verband met mensenrechten, en de in dat verband voor bedrijven relevante UNGP en OECD Guidelines, dat human rights due diligence moet worden uitgevoerd die niet ophoudt bij het bedrijf zelf maar zich tevens uitstrekt tot waardeketens, zoals ten opzichte van leveranciers en dochterondernemingen.17 In dat verband is interessant dat in artikel 4 van het Nederlandse IMVO-convenant voor verzekeraars (net als overigens in de andere convenanten) een (human rights) due diligence-verplichting is opgenomen die zich ook uitstrekt tot de waardeketens Én dat in artikel 7.4 een specifiek verband wordt gelegd met klimaatverandering.18 Daarnaast kan de verplichting dat geen excessieve uitstoot mag plaatsvinden ook worden afgeleid uit de mensenrechtenbenadering van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in verband met (geluids) overlast.19 Voor bedrijven die internationaal opereren is derhalve niet zozeer een punt dat hun gehoudenheid mensenrechten te respecteren zich tot hun hele bedrijfsvoering en waardeketens uitstrekt, maar vooral of die zich ook uitstrekt tot (het tegengaan van) klimaatverandering.20 Anders dan voor overheden geldt, is derhalve minder een probleem of bedrijven ook een (negatieve) verplichting hebben ten aanzien van (de aantasting van) zogenaamde global commons, voor zover deze mensenrechten-gerelateerd zijn, en actief aan het tegengaan van wereldwijde klimaatverandering zouden moeten bijdragen.21 Ten aanzien van staten gaat het in het kader van reductie van uitstoot, in tegenstelling tot bedrijven, bovendien om een positieve verplichting die, naar wij hebben uiteengezet, thans niet wordt aangenomen. De human rights due diligence die bedrijven geacht worden uit te voeren geldt voor de gehele bedrijfsvoering inclusief de waardeketens (zowel aan de inkoop- als verkoopkant) en is daarmee nu juist niet territoriaal beperkt. Daarmee zijn overigens uiteraard niet alle problemen in verband met door bedrijven te nemen maatregelen opgelost. Zo kan de vraag worden gesteld hoe ver die waardeketens zich uitstrekken. Zien die bijvoorbeeld ook op de uitstoot die samenhangt met de door leveranciers gebruikte elektriciteit en op de uitstoot die samenhangt met de verwerking van in die waardeketens geproduceerd afval?22