Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.1
8.5.1 Onduidelijkheid over toepassingsbereik na codificatie van strafvermindering
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614278:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Moons 1993, p. 23-24.
Zie par. 4.1.
Commisie Moons 1993, p. 54.
In geen enkel standaardarrest over de redelijke termijn wordt deze bepaling dan ook genoemd.
In de MvT noch in de verdere behandeling. Zie: Kamerstukken II, 1993/94, 23705, nr. 3, p. 24. Behandeling TK, 16 maart 1995, 59-3624 en Behandeling TK, 12 september 1995, 38-1477. In de Nota n.a.v. het verslag (Kamerstukken II, 1994/95, nr. 6, p. 8) noemde de minister ‘beginselen van een behoorlijke strafprocesrecht zoals het proportionaliteitsen subsidiariteitsbeginsel en het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel’, maar dat beschouw ik als het antwoord op de algemene vraag naar voorbeelden van ongeschreven vormvoorschriften. Anders dan Van Dorst 1996, p. 272 en Van Woensel 2004, p. 129, zie ik deze passage niet als door de minister gegeven voorbeeld van vormverzuimen die met strafvermindering kunnen worden afgedaan.
Van Dorst 1996, p. 271. In HR 29 maart 1994, NJ 1994/577 m.nt. Schalken had het hof strafvermindering toegepast wegens een geconstateerde inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde die daarin bestond dat een getuige was gehoord in afwezigheid van de verdediging. AG Fokkens ging in zijn conclusie uitgebreid op deze kwestie in en concludeerde dat strafvermindering op zichzelf mogelijk was, maar ook wees hij erop dat de door het hof geconstateerde inbreuk kwestieus was. Aan een oordeel over de toegepaste strafvermindering kwam de HR niet toe, omdat hij onbegrijpelijk achtte dat het hof een inbreuk had aangenomen.
Aan het gebruik van het woord sancties kan op zichzelf geen heel sterk argument worden ontleend voor de stelling dat de wetgever een OM of politie ‘bestraffend’ karakter voorzag voor strafvermindering in art. 359a Sv (en daarmee bevordering van normconform opsporen als mogelijk doeleinde van toepassing van dit rechtsgevolg), nu deze term door de wetgever is afgewisseld met de neutralere term rechtsgevolgen. Zie daarover ook de conclusie van AG Machielse voor HR 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001: AA9594, NJ 2001/327.
Kamerstukken II, 1993/94, 23705, nr. 3, p. 15 en 25. Met het woord ‘zekere’ gaf de wetgever blijk zich ervan bewust te zijn dat niet steeds de hele trits afgelopen zou moeten worden. Zo houdt de MvT ook in dat strafvermindering geen passende reactie is bij ernstige schending van verdedigingsrechten. Net zoals bewijsuitsluiting niet mogelijk is bij vormverzuimen die geen bewijs hebben opgeleverd.
Kamerstukken II, 1993/94, 23705, nr. 3, p. 25. Relatief, want bewijsuitsluiting leidt soms niet tot vrijspraak.
Vgl. Van Dorst 1996, p. 274.
Zoals in paragraaf 2.6 al aan de orde kwam stelde de Commissie Moons onder meer voor de door de rechter ontwikkelde reacties op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en in het onderzoek ter terechtzitting te codificeren. 1 Daarom werd vanzelfsprekend ook strafvermindering genoemd, welke in de rechtspraak van de Hoge Raad was ontwikkeld als rechtsgevolg op overschrijding van de redelijke termijn.2 De toelichting van de Commissie Moons op het door haar voorgestelde art. 359a Sv luidde onder meer:
‘strafverlaging kan worden toegepast als het door het vormverzuim ontstane nadeel hierdoor redelijkerwijs kan worden vereffend. Bijvoorbeeld de overschrijding van de redelijke termijn. Een ernstige beperking van verdachtes mogelijkheden zich te verdedigen zal echter moeilijk via strafverzachting kunnen worden gecompenseerd.’3
De Minister beperkte, in afwijking van de Commissie Moons, de reikwijdte van art. 359a Sv tot vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Die beperking had tot gevolg dat het vormverzuim in het kader waarvan strafvermindering tot ontwikkeling was gekomen, buiten het bereik van art. 359a Sv viel.4 Overschrijding van de redelijke termijn doet zich immers in de regel pas na de fase van het voorbereidend onderzoek voor. De vraag was nu dus welk vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zich dan wel leende voor compensatie met strafvermindering op de voet van art. 359a Sv. In de verdere totstandkomingsgeschiedenis bleef die vraag onbeantwoord. De Minister herhaalde enkel het door de Commissie Moons gegeven voorbeeld. Dat de wetgever geen ander voorbeeld gaf,5 was in het licht van zijn bedoeling de bestaande rechtspraak te codificeren, niet verbazingwekkend, omdat in de praktijk alleen bij overschrijding van de redelijke termijn strafvermindering werd toegepast.6 Als gevolg hiervan was bij de invoering van art. 359a Sv onduidelijk in welke gevallen strafvermindering op grond van die bepaling in aanmerking zou kunnen komen.
De wettekst suggereert op het eerste gezicht dat bij toepassing van strafvermindering altijd de compensatie van schending van de individuele belangen van de verdachte centraal moet staan. De memorie van toelichting lijkt dit nog te beperken tot andere dan verdedigingsbelangen. Moet de mogelijkheid tot strafvermindering inderdaad zo beperkt worden opgevat, of kunnen met de toepassing daarvan ook andere doeleinden worden gediend?
Een argument voor een ruimere uitleg, waarin strafvermindering ook andere grondslagen kan hebben dan compensatie van toegebracht nadeel aan persoonlijke belangen van de verdachte, zou eventueel kunnen worden gevonden in de uit de memorie van toelichting sprekende rangorde-gedachte. Volgens de memorie van toelichting voorziet art. 359a Sv de ‘sancties’7 van ‘een zekere ordening en hiërarchie’8 en geeft ‘de volgorde waarin zij zijn opgesomd, (...) hun relatieve zwaarte aan’.9 Inderdaad vertoont de opsomming van strafvermindering, bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het OM trekken van een in zwaarte oplopende trits. De gedachte van samenhang kan bovendien versterkt worden doordat het tweede lid alle drie deze reacties over dezelfde kam scheert. In de eerste zin van de memorie van toelichting is als doelstelling uitgesproken een bijdrage te leveren aan het terugdringen van de ongewenste gevolgen die in het strafproces aan vormverzuimen worden verbonden. In dit licht kan de passage waarin wordt opgemerkt dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM alleen aan de orde kan zijn als sprake is van een zodanig ernstig verzuim dat niet volstaan kan worden met bijv. strafvermindering of bewijsuitsluiting, aldus worden opgevat dat de rechter in beginsel bij elk verzuim dient te beoordelen of toepassing van de ingrijpender reacties vermeden kan worden. De wetgever lijkt dus een zo licht mogelijke reactie op vormverzuimen voor te staan en ziet in dat verband een rol voor strafvermindering als alternatief voor de ingrijpender rechtsgevolgen. Om strafvermindering bij zoveel mogelijk uiteenlopende vormverzuimen een alternatief te kunnen laten zijn voor de andere reacties, zou aan het volgens art. 359a, eerste lid onder a, Sv vereiste nadeel een ruime interpretatie moeten worden gegeven.10