Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/7.4.1
7.4.1 Executie pandrecht
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS615722:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 7 april 2006, RvdW 2006/374 (Ten Cate/Mr. Nagelmakers c.s.); HR 9 juli 2010, NJ 2010/417 (Renault Nederland/Nieuwkoop).
Art. 3:246 BW. Ten aanzien van de bevoegdheden van de pandgever zijn relevant HR 21 februari 2014, NJ 2015/82 (r.o. 3.5.1) en voorts HR 18 december 2015,NJ 2016/34, JOR 2016/105 (vgl. HR 11 maart 2005, NJ 2006/362) en HR 9 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2833). Zie hierover ook: I.C. Engels en A. Ourhris, ‘Wie mag het faillissement van de schuldenaar van een verpande vordering aanvragen?’, TvI 2016/17; S. Houdijk en M.S. Breeman, ‘De reikwijdte van de (innings)bevoegdheid van de openbare pandhouder’, FIP 2016 (5), 30 juli 2016.
De executieopbrengst is bij executie van een pandrecht op vorderingen echter veelal lager dan bij de inning van de verpande vorderingen; vgl. H.J. Snijderse.a., Goederenrecht, Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 2, nr. 557.
Een pandhouder is bevoegd tot executie over te gaan op het moment dat de schuldenaar “in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot waarborg strekt”.1 Een pandrecht kan slechts strekken tot waarborg van een verplichting tot betaling van een geldsom.2 Voor verzuim is vereist dat de vordering op de schuldenaar opeisbaar is, de schuldeiser de schuldenaar schriftelijk in gebreke heeft gesteld, en de schuldenaar zijn verplichting niet binnen de gestelde termijn voldoet.3 Soms is geen schriftelijke ingebrekestelling vereist, bijvoorbeeld wanneer een voor voldoening afgesproken termijn verstrijkt.4 Partijen kunnen van deze wettelijke regeling ook contractueel afwijken en afspreken dat geen schriftelijke ingebrekestelling vereist is. Op grond van art. 6:80 BW treedt verzuim vervroegd in, reeds voordat de vordering opeisbaar is, indien; (i) de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze tekort zal schieten; of (ii) de schuldeiser goede gronden heeft te vrezen dat de schuldenaar tekort zal schieten en de schuldenaar weigert zich bereid te verklaren zijn verplichtingen na te komen.5
Voordat het verkoopproces van het verpande goed wordt toegelicht, merk ik nog op dat de executie van openbaar verpande vorderingen veelal door inning zal plaatsvinden. Deze bevoegdheid blijft bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.6
Noodzakelijk is deze route echter niet. Het recht van parate executie geldt namelijk ook voor pandrecht op vorderingen. In art. 3:248 BW is immers bepaald dat de pandhouder bij verzuim van de schuldenaar “het verpande goed” mag verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst mag verhalen.7