Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.2.3:3.2.3 Geen pleitbaar standpunt bij het nalaten om aangifte te doen
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.2.3
3.2.3 Geen pleitbaar standpunt bij het nalaten om aangifte te doen
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571153:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
F.J.P.M. Haas en D.N.N. Jansen, Fiscale boete onder de 4e tranche Awb, Deventer: Kluwer 2014, p. 73.
HR (strafkamer) 23 december 2003, BNB 2004/180, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, r.o. 4.4; HR (belastingkamer) 25 oktober 2013, BNB 2013/252, ECLI:NL:HR:2013:971, r.o. 2.3.2.
Vergelijk HR 26 augustus 1998, BNB 1998/350, r.o. 3.2. (een arrest in verband met het nalaten om de vereiste aangifte te doen).
Feteris 2005, p. 44, 91.
Rb. ´s-Gravenhage 13 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7876, lijkt hier in r.o. 25 anders over te oordelen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek is behandeling van het niet tijdig doen van een aangifte en het niet tijdig betalen van een aangiftebelasting, strafbaar en beboetbaar gesteld in art. 69 lid 1 AWR en art. 69a AWR respectievelijk in art. 67a AWR, art. 67b AWR en art. 67f AWR achterwege gelaten. Het is namelijk niet goed denkbaar dat aan het niet tijdig aangifte doen of aan dit niet tijdig betalen een standpunt over de interpretatie of toepassing van het recht ten grondslag kan worden gelegd.1
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor het nalaten om aangifte te doen, strafbaar en beboetbaar gesteld in art. 69 lid 1 AWR respectievelijk art. 67a AWR, art. 67b lid 1 AWR en art. 67d AWR. In paragraaf 3.2.1 is besproken dat de verplichting om aangifte te doen niet voortvloeit uit de wet, maar ontstaat door een uitnodiging tot het doen van aangifte. Als gevolg hiervan kan het nalaten om aangifte te doen op grond van de zojuist genoemde straf- en boetebepalingen uitsluitend een strafbaar of beboetbaar feit vormen, als de belastingplichtige is uitgenodigd om aangifte te doen.2 Zodra de belastingplichtige van de inspecteur een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen, moet hij ook aangifte doen. Zelfs als de stelling van de belastingplichtige dat hij niet belastingplichtig is of dat zich geen belastbare feiten hebben voorgedaan niet slechts pleitbaar maar juist is, neemt dat zijn verplichting om aangifte te doen nog niet weg.3
Om aan de aangifteplicht te voldoen hoeft de belastingplichtige het belastingrecht derhalve niet te interpreteren of toe te passen. Als de interpretatie of toepassing van het belastingrecht bij de verplichting om aangifte te doen niet van belang is, kan aan het nalaten om aangifte te doen ook geen pleitbaar standpunt ten grondslag worden gelegd. Hierna ga ik daarom uitsluitend bij de strafuitsluitingsgronden, die in de paragrafen 3.7.3.1 en 3.7.3.2 aan de orde worden gesteld, nog in op het strafbaar en beboetbaar gestelde nalaten om aangifte te doen.
In dit onderzoek wordt hierna alleen nog verdergegaan met de straf- en boetepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte. Hieronder begrijp ik, zoals in hoofdstuk 1, paragraaf 1.3 opgemerkt, ook de straf- en boetebepalingen die verband houden met het ten onrechte niet of gedeeltelijk niet betalen van een aangiftebelasting, opgenomen in art. 69a AWR respectievelijk art. 67c AWR en 67f AWR. Bij aangiftebelastingen moet de belastingplichtige, zoals hiervoor in paragraaf 3.2.2.2 beschreven, aan de hand van zijn belastingaangifte uit eigen beweging de door hemzelf berekende belastingschuld betalen. De verplichting om de verschuldigde belasting te betalen vloeit, in tegenstelling tot de verplichting om aangifte te doen, wel voort uit de wet. Deze verplichting bestaat dus ook als de belastingplichtige niet is uitgenodigd om aangifte te doen.4 Om aan de verplichting tot betaling van de verschuldigde belasting te kunnen voldoen moet een belastingplichtige het belastingrecht derhalve wel interpreteren en toepassen, niet alleen ten behoeve van de berekening van de belastingschuld, maar ook voor de beantwoording van de vragen of hij inderdaad belastingplichtig is en of zich wel belastbare feiten hebben voorgedaan. Aan het ten onrechte niet of gedeeltelijk niet betalen van een aangiftebelasting kan daarom wel een standpunt over de interpretatie of toepassing van het recht en daarmee een pleitbaar standpunt ten grondslag liggen.5