De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.3.3:4.6.3.3 De subsidiaire positie van het waarborgfonds in België, Duitsland en Frankrijk
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.3.3
4.6.3.3 De subsidiaire positie van het waarborgfonds in België, Duitsland en Frankrijk
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401873:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Feyock, Jacobsen & Lemor, Kraftfahrtversicherung, 2. Teil Vorschriften zur Pflichtversicherurng, Pflichtversicherungsgesetz (PflVG)' § 12, Bemerkung 62.
Idem, 2. Teil - Pflichtversicherung, PJIVG § 12, Bemerkung 90.
Elvers in Feyock, Jacobsen & Lemor, 2. Teil - Pflichtversicherung, PflVG § 12, Bemerkung 76.
Zie par. 33.5.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
a. België
De Belgische 'Wam' is, evenals de Nederlandse, gebaseerd op de Benelux-Overeenkomst en de daarbij behorende Gemeenschappelijke bepalingen. Subsidiair, in de zin dat een benadeelde geen beroep op het Gemeenschappelijk Waarborgfonds kan doen als hij zijn schade elders vergoed krijgt of kan krijgen, is het fonds niet. Evenmin zijn regresnemers op grond van subrogatie of een eigen recht van vergoeding van hun schade uitgesloten. Voor zover het gaat om de toegang van regresnemers tot het waarborgfonds, is de Belgische regeling volledig vergelijkbaar met de Nederlandse.
b. Duitsland
In veel minder situaties dan in Nederland wordt het Duitse slachtoffer door het Duitse fonds schadeloos gesteld, terwijl de uitkering die hij ontvangt vaak ook lager zal zijn dan zijn schade naar burgerlijk recht. Dit alles berust op de opvattingen over de subsidiaire positie van het Entschädigungsfonds. Aan Feyock, Jacobsen & Lemor valt daaromtrent het volgende te ontlenen:
" Nach der amtlichen Begründung (BT-Drucks. IV/2252 S. 24) soll der Entschädigungsfonds “die wesentlichsten Lücken schließen, die nach Einführung der Pflichtversicherung im Schutz der Verkehrsopfer noch verblieben sind.“ Diese Zweckbestimmung rechtfertigt die subsdiäre Leistungspflicht des Entschädigungsfonds (...)."1
In het kader van de bespreking van de beperkingen van de uitkeringen in het geval van niet-geïdentificeerde voertuigen heet het verder:
"In der amtlichen Begründung (BT-Drucks. IV/2252 S. 25) wird dies damit begründet, dass “eine über den eigentlichen Zweck des Entschädigungsfonds hinausgehende Inanspruchnahme des Fonds vermieden” werden müsse. Sonst könne “der für seinen Betrieb erforderliche finanzielle Aufwand” nicht “in tragbaren Grenzen gehalten werden”. Deshalb soll “der Entschädigungsfonds nicht für alle Schäden ohne Unterschied und Begrenzung eintreten.” Weiter heißt es bezüglich seiner Leistungen, dass diese “auf die Schäden beschränkt werden sollen, die bei den Geschädigten in erster Linie zu Härten führen und gegen die sich die Betroffenen am wenigsten schützen können."2
Het Duitse waarborgfonds beoogt dus geen volledig vangnet te zijn voor situaties waarin een slachtoffer van het gemotoriseerde verkeer geen verzekeraar kan aanspreken, maar dicht slechts de belangrijkste gaten in de bescherming. De angst dat een te ruim uitkeringskader tot onbeheersbare lasten zou leiden, heeft daarbij kennelijk een belangrijke rol gespeeld.
Het Entschädigungsfands keert in een vijftal gevallen uit, opgesomd in § 12, Absatz (1)en geparafraseerd weergegeven:
het voertuig dat de schade veroorzaakte kan niet worden geïdentificeerd;
het schadeveroorzakende voertuig is ten onrechte niet verzekerd;
het schadeveroorzakende voertuig is met gebruikmaking van art. 5 lid 2 van de Richtlijn in een andere lidstaat van de verzekeringsplicht vrijgesteld;
het voertuig is weliswaar verzekerd, maar de verzekeraar behoeft geen dekking te verlenen omdat de schadevergoedingsplichtige de schade opzettelijk en wederrechtelijk heeft veroorzaakt;
de verzekeraar verkeert in staat van insolventie.
Wezenlijk is dat de benadeelde - behoudens in geval van de onverzekerde aansprakelijke - geen aanspraak heeft op een uitkering ten laste van het waarborgfonds, als hij vergoeding van zijn schade kan krijgen uit andere bron. Daarbij gaat het in het bijzonder om uitkeringen uit hoofde van een (eigen) schadeverzekering of een andere aansprakelijkheidsverzekering dan die welke voor het motorrijtuig is afgesloten, om uitkeringen uit hoofde van loondoorbetaling of sociale zekerheid. Een wel zeer opvallende alternatieve bron is de aanspraak die de benadeelde van een ongeval dat is veroorzaakt door een onverzekerd motorrijtuig heeft op de ambtelijke instanties die met de handhaving van de verzekeringsplicht zijn belast.
Hierbij moet worden gedacht aan de Zulassungsstellen. Dezen hebben de verplichting om onverwijld in actie te komen als zij door de verzekeraar van het einde of de beëindiging van de dekking onder de polis in kennis worden gesteld. Zij dienen dan de kentekendocumenten in te nemen en het kenteken ongeldig te verklaren. Het voertuig moet zo mogelijk binnen de verzekeringsrechtelijke narisicotermijn van één maand uit het verkeer worden genomen. Het niet naleven van deze verplichtingen leidt al zeer snel tot plichtsverzuim en daarmee tot aansprakelijkheid van de zijde van de overheid.
Een soortgelijke aansprakelijkheid rust op de grensautoriteiten die belast zijn met de controle op de naleving van de verzekeringsplicht van voertuigen, die van een groene kaart of van een grensverzekeringsdocument moeten zijn voorzien. De benadeelde bij een ongeluk dat door een ten onrechte niet-verzekerd bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt (en die zich niet tot het groene-kaartbureau kan wenden), dient eerst de grensautoriteiten aansprakelijk te stellen. De benadeelde dient in dat geval wel te bewijzen dat, wanneer en waar het voertuig onverzekerd de grens is gepasseerd, en dat bewijs zal in veel gevallen moeilijk of niet te leveren zijn.
Elvers wijst erop dat deze vorm van Amtspflichtverletzung, met het Verdrag van Schengen en het oostwaarts opschuiven van de buitengrenzen van de EU aan betekenis heeft verloren.3 Binnenlandse controles op de naleving van de verzekeringsplicht door bestuurders van buitenlandse motorrijtuigen zijn bovendien beperkt.4
In alle gevallen van verzuim van deze ambtelijke verplichtingen, kan de benadeelde er niet mee volstaan aannemelijk te maken dat hij geen vergoeding van de zijde van de overheid kan verkrijgen, maar zal hij dit moeten bewijzen. Dat betekent dat hij vrijwel altijd zal moeten procederen.
Het Duitse waarborgfonds kan niet worden aangesproken voor schade aan motorrijtuigen die door onbekende aansprakelijken is veroorzaakt. De gedachte achter deze beperking van de reikwijdte van de Verkehrsopferhilfe is (kennelijk) geweest dat automobilisten zich met een cascoverzekering eenvoudig tegen dit soort onheil kunnen verzekeren. Ook de overheid, in haar hoedanigheid van Straβenbaulastträger (wegbeheerder), kan zich niet tot het Duitse waarborgfonds wenden. Zij kan zich evenmin een aanspraak op uitkering uit het waarborgfonds verschaffen door de eigendom of het onderhoud daaraan over te dragen of uit te besteden aan private ondernemingen. Het feit dat zij Baulastträger zijn - belast met aanleg en onderhoud van straten en wegen - is bepalend.
Andere vormen van materiële schade die door onbekenden is veroorzaakt kunnen wel ten laste van de Verkehrsopferhilfe worden gebracht. Denk aan beschadigde gebouwen, erfafscheidingen en dergelijke. Dan geldt een eigen risico van € 500.
c. Frankrijk
Het Franse waarborgfonds is eveneens subsidiair in de zin van de Richtlijn. Het treedt alleen op als de aansprakelijke onbekend is gebleven, dan wel onverzekerd is, of zijn verzekeraar insolvent. Daarnaast moet de benadeelde bovendien aantonen dat hij geen schadevergoeding uit andere bron kan verkrijgen. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan eventueel wel verzekerde mede-aansprakelijken of betrokkenen, maar ook aan eigen verzekeringen van de benadeelde. Als de benadeelde aanspraken heeft uit hoofde van sociale voorzieningen of verzekeringen of op zijn werkgever, dan vergoedt het waarborgfonds alleen het meerdere. Derden die de benadeelde schadeloos hebben gesteld, hebben geen aanspraken uit hoofde van regres tegen het waarborgfonds.