Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/6.3.1
6.3.1 Rechten en verplichtingen douaneautoriteiten
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258642:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commentaar 6 van de Expertgroep Douane (afdeling douanewaarde) betreffende documenten en informatie die de douane kan verlangen als bewijsmateriaal voor het vaststellen van de douanewaarde.
Indien informatie wordt verstrekt waarvan vaststaat dat deze vals is, hoeft deze informatie door douaneautoriteiten niet in aanmerking genomen te worden bij de vaststelling van de douanewaarde. Advisory Opinion 10.1. Treatment of fraudulent documents. (Adopted, 6th Session, 16 September 1983, 30.480). Verkregen informatie waarin dataelementen ontbreken die noodzakelijk zijn voor de juiste duiding ervan of informatie waarin onopzettelijke fouten zijn geslopen, zullen, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, desondanks in aanmerking moeten worden genomen al dan niet nadat om aanvullende informatie is verzocht door de douaneautoriteiten. Advisory Opinion 11.1. Treatment of inadvertent errors and of incomplete documentation. (Adopted, 7th Session, 2 March 1984, 31.460).
Artikel 12, lid 3, DWU. Voor een adequaat niveau van gegevensbewaking moet rekening gehouden met diverse aspecten die zijn opgenomen in artikel 45, lid 2, Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
HvJ EG 28 februari 2008, nr. C‑263/06 (Carboni e derivati Srl), ECLI:EU:C:2008:128, r.o. 52.
HvJ EG 28 februari 2008, nr. C‑263/06 (Carboni e derivati Srl), ECLI:EU:C:2008:128, r.o. 55.
Conclusie A-G Wahl 24 januari 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:C:2019:64.
Conclusie A-G Wahl 24 januari 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:C:2019:64, r.o. 43.
HvJ 9 november 2017, nr. C-46/16 (,LS Customs Service’’ SIA), ECLI:EU:C:2017:839.
Stel dat een douaneautoriteit alle aan haar ter beschikking staande wettelijke opties uitput en op basis van vertrouwelijke informatie verklaart dat de transactiewaarde voor soortgelijke goederen toepassing vindt tegenover een bepaald bedrag. De vraag is hoe een marktdeelnemer zich hiertegen kan verweren als hij zelf op basis van de aftrekmethode op een lager bedrag uitkomt. Nu is deze vraag niet nieuw, maar als douaneautoriteiten tot het uiterste worden gepusht om deskundigheid en informatie te vergaren om toch de transactiewaarde van soortgelijke goederen toe te passen, zal een en ander vaker spelen.
HvJ EU 20 juni 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:C:2019:519, r.o. 27.
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel wordt als sinds de jaren zeventig erkend als fundamenteel rechtsbeginsel in arresten van het Hof van Justitie (bijvoorbeeld HvJ EEG 23 oktober 1974, nr. C-17/74 (Transocean Marine Paint tegen Commissie), ECLI:EU:C:1974:106). Sinds 2007 is het verdedigingsbeginsel daarnaast gecodificeerd in artikel 41 van het Handvest van de Grondrechten de van Europese Unie en sinds het toepasselijk worden van het DWU is het uit het verdedigingsbeginsel voortvloeiende recht om te worden gehoord juridisch verankerd in de artikelen 22, lid 6, jo. 29 DWU. Voor een nadere beschouwing over de uitwerking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in het douanerecht verwijs ik onder andere naar: A.E. Keulemans, Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel: een update, Wfr 2016/73, p. 391-400 en A. Wolkers, Het Douanewetboek van de Unie: eerste ervaringen met twee noviteiten, Wfr 2019/92, p. 551-555.
Hoge Raad 24 juni 2015, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2015:1666 (eindarrest na HvJ EU 3 juli 2014, nrs. C-129/13 en C-130/13 (Kamino en Datema), ECLI:EU:C:2014:2041) en Hoge Raad 13 maart 2015, nr. 13/04052, ECLI:NL:HR:2015:550.
Douaneautoriteiten hebben op grond van artikel 15 DWU een algemeen recht om informatie op te vragen ter ondersteuning van de gegevens die in de douaneaangifte zijn opgenomen. In dat kader kunnen documenten worden opgevraagd als de commerciële factuur, de verkoop-, licentie- of agentovereenkomst, transportdocumentatie, boekhoudkundige bescheiden en overzichten van vluchtvrachttarieven.1 Douaneautoriteiten hebben aanvullend het recht om bij de aangever informatie over de transactiewaarde van de ingevoerde goederen op te vragen ex artikel 140, lid 1, UDWU als zij gegronde twijfels hebben of de transactiewaarde overeenstemt met de werkelijk betaalde of te betalen prijs.2 De douanediensten behoeven zich dan echter niet te beperken tot het onderzoek van de hiervoor vermelde documenten.
De verstrekte informatie en bewijsmiddelen moeten in vertrouwen worden behandeld overeenkomstig artikel 12, lid 1, DWU. Vanuit douanewaarde perspectief wordt hiermee uitvoering gegeven aan artikel 10 CVA. ‘Naming and shaming’-praktijken, zoals aan de orde in de DSB-zaak Thailand Cigarettes I waar de Thaise douaneautoriteiten de van de importeur verkregen informatie met de Thaise media deelden, zijn niet toegestaan (onderdeel 5.3.1.2). Op het zonder toestemming mogen delen van verkregen informatie en bewijsmiddelen vanwege de vertrouwelijke aard ervan, gelden twee uitzonderingen. Ten eerste moet een en ander worden gedeeld indien de douaneautoriteiten op basis van gerechtelijke procedures daartoe gerechtigd zijn en mogen zij informatie delen als zij daartoe gemachtigd zijn.3 Ten tweede mag de vertrouwelijke informatie ook gedeeld worden met douaneautoriteiten in andere EU-lidstaten alsmede met douaneautoriteiten in niet-EU-landen in het kader van de douanesamenwerking met die landen in het kader van een internationale overeenkomst of Uniewetgeving op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid.4 Bij elk van deze uitzonderingen zal telkens een adequaat niveau van gegevensbewaking gegarandeerd moeten worden.5
Douaneautoriteiten hebben het recht om te besluiten om de douanewaarde op basis van een alternatieve waarderingsmethode vast te stellen wanneer hun twijfels niet worden weggenomen nadat zij om aanvullende informatie hebben gevraagd en de aangever in de gelegenheid hebben gesteld om te reageren op de redenen voor die twijfel.6 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat indien de douaneautoriteiten op basis van artikel 181 bis TCDW (equivalent van artikel 140 UDWU) besluiten de transactiewaarde van ingevoerde goederen niet toe te passen, uit voornoemd artikel niet gelijk volgt op basis van welke waarderingsmethode de douanewaarde dan wel vastgesteld moet worden.7 Wel zullen de douaneautoriteiten, indien zij een door de importeur gebruikte (alternatieve) waarderingsmethode van de hand wijzen, moeten motiveren waarom de daaraan voorafgaande waarderingsmethode in hun visie niet toegepast kan worden. Dit gaat echter niet zover dat douaneautoriteiten moeten motiveren waarom (de) waarderingsmethode(n), die hiërarchisch volg(t)(en) op de door de douaneautoriteiten toegepaste waarderingsmethode, niet van toepassing is.
Indien de douaneautoriteiten een alternatieve waarderingsmethode voorstaan, hoeven zij de fabrikant niet om aanvullende informatie te vragen. Wel moeten zij, naar mijn mening terecht, alle hun ter beschikking staande informatiebronnen en databanken raadplegen en de betrokken marktdeelnemer in de gelegenheid stellen om informatie te verstrekken. Uit de conclusie bij de zaak Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests leid ik af dat lidstaten verplicht zijn om zorg te dragen dat de informatiebronnen en databanken die aan de douaneautoriteiten ter beschikking staan, voldoen aan bepaalde minimumstandaarden. In deze zaak zijn medicijnen overgebracht naar Letland en daar voor het vrije verkeer aangegeven.8 De Letse douaneautoriteiten stellen zich op het standpunt dat de douanewaarde overeenkomstig de vierde methode, de aftrekmethode, moet worden vastgesteld, terwijl de verwijzende rechter uitgaat van de derde methode: de transactiewaarde van soortgelijke goederen. De reden voor de Letse douaneautoriteiten om toepassing van de transactiewaarde van soortgelijke goederen van de hand te wijzen, is dat zij kennelijk niet over de noodzakelijke kennis en informatie beschikken om te kunnen beoordelen of geneesmiddelen geproduceerd door andere verkopers inderdaad soortgelijk zijn aan de ingevoerde geneesmiddelen. Hoewel ik mij ten zeerste afvraag op welk onderzoek/bronnen de A-G zich heeft gebaseerd, stelt hij dat soortgelijke goederen in het geval van generieke geneesmiddelen (de ingevoerde goederen betreffen geneesmiddelen) niet al te moeilijk te vinden zouden moeten zijn. Dat de Letse douaneautoriteiten reeds hebben aangeven niet over de noodzakelijke kennis en informatie te beschikken, doet daar kennelijk niets aan af. De A-G lijkt een vergaande (professionele) inspanningsverplichting af te dwingen van de douaneautoriteiten voor het vinden van voldoende deskundigheid en informatie. Hoewel de inspanning van de Letse douaneautoriteiten wellicht tekortschiet, is de vraag wel hoever zo’n onderzoek moet reiken. Met andere woorden, welke verplichtingen hebben de douaneautoriteiten? De A-G noemt verschillende opties om gegevens te verkrijgen:9
“[…] i) De douaneautoriteit kan bij de aangever alle bescheiden en inlichtingen opvragen die zij meent nodig te hebben bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van de waarderingsmethoden in de artikelen 30 en 31 van het douanewetboek; ii) de douaneautoriteit kan iedere persoon die direct of indirect betrokken is bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht, verzoeken om het even welke bescheiden of inlichtingen te verstrekken; iii) de douaneautoriteit mag andere douaneautoriteiten in de EU-lidstaten om administratieve bijstand verzoeken van teneinde de nodige inlichtingen te verkrijgen; of iv) de douaneautoriteit mag op kosten van de aangever om analyses van of uitvoerverslagen over de te waarderen goederen verzoeken.”
De vraag is of de duur en omvang van een dergelijk onderzoek stroken met de elementen van het toetsingskader en in het bijzonder dat de douanewaardebepalingen op eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen dienen te berusten. Ik heb daarover mijn twijfels. Het zou douaneautoriteiten vrij moeten staan om, na het leveren van een zekere inspanningsverplichting, te stellen dat onvoldoende informatie voorhanden is om de douanewaarde overeenkomstig een bepaalde waarderingsmethode vast te stellen, zolang zij dit voldoende motiveert.10/11 Ik vraag mij daarnaast af of in een omgekeerde situatie de A-G ook een even zware inspanningsverplichting zou opleggen aan de aangever voor het toetsen of de transactiewaarde van soortgelijke goederen als alternatieve waarderingsmethode toepassing vindt. Dit zou namelijk in mijn optiek veel te ver gaan, (ook) omdat een marktdeelnemer minder in het DWU verankerde opties voorhanden heeft om informatie in te winnen (van derden). Gelet op voornoemde opmerkingen zou ik, gelet op de gepresenteerde feiten en omstandigheden in de zaak Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests, een vaststelling van de douanewaarde op basis van de aftrekmethode meer passend vinden. Overigens merk ik op dat het Hof van Justitie zich uiteindelijk niet expliciet heeft uitgesproken over in hoeverre douaneautoriteiten zich moeten inspannen om informatie over soortgelijke goederen te verzamelen. Het Hof van Justitie geeft enkel aan dat de douaneautoriteiten “[…] alle beschikbare gegevens kunnen gebruiken om op die manier de douanewaarde zo precies en zo waarheidsgetrouw mogelijk te bepalen.”12
Terug naar de motiveringsplicht die aan de douaneautoriteiten wordt opgelegd indien zij van mening is dat de douanewaarde op basis van een alternatieve waarderingsmethode moet worden vastgesteld. De motiveringsplicht strekt ertoe om op duidelijke en ondubbelzinnige wijze de redenen kenbaar te maken waarom een voorafgaande waarderingsmethode geen toepassing vindt waarbij tevens wordt genoemd welke informatie aan het besluit ten grondslag ligt. De marktdeelnemer wordt anders de mogelijkheid ontnomen zich in rechte zo goed mogelijk te verdedigen.13 Het verbinden van consequenties aan de schending van de motiveringsplicht is volgens het Hof van Justitie voorbehouden aan de nationale lidstaten, weliswaar onder voorbehoud van het in acht nemen van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel. De vraag is welke consequenties in voorkomend geval in Nederland aan een dergelijke schending worden verbonden. In dat kader zij erop gewezen dat artikel 6:22 Awb toepassing vindt in het douanerecht. Daaruit volgt dat schending van een algemeen verbindend vormvoorschrift, daaronder begrepen formele gebreken zoals het onvoldoende motiveren van een besluit, niet per definitie leidt tot vernietiging van een uitnodiging tot betaling (utb). Indien, zo leid ik af uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:22 Awb, een belanghebbende niet wordt geschaad in zijn processuele belangen, hoeft de utb niet vernietigd te worden. Dit kan in mijn optiek bijvoorbeeld als het motiveringsgebrek tijdig wordt hersteld. Aangezien motiveringsgebreken in de bezwaar- en beroepsfase eenvoudig kunnen worden hersteld, zou een schending van de motiveringsplicht van de douaneautoriteiten mijns inziens niet snel leiden tot een vernietiging van de utb.14