Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.1.2
8.3.1.2 De bestuursrechter is terughoudend in de toetsing
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701960:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: ABRvS 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1718.
AGRvS 17 mei 1989, G09.87.0057.19.89. Zie: Van Montfoort 1990, p. 49.
ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6373; ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2195, AB 2020/388. Anders: ABRvS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1436, AB 2019/369 (Dongen).
ABRvS 22 mei 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1642 (Breda); ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2583; ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4316; ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4286.
ABRvS 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3242.
ABRvS 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3242, r.o. 2.6.1.
Van Ettekoven, O&A 2016/53, p. 92.
Rb. Midden-Nederland 20 december 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7079.
ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:821.
Natuurlijk is het niet de taak van de bestuursrechter (noch valt van hem te verwachten) dat deze ambtshalve de deskundigheid van de adviseur analyseert. Het is en blijft aan appellanten om concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren te brengen. Daarbij moet worden toegegeven dat appellanten bij hun stelling dat de ingeschakelde adviseur onvoldoende deskundig is, vaak blijven steken in algemeenheden of een beroep doen op omstandigheden die niets met de deskundigheid te maken hebben.1 Hun betoog is in zo een geval reeds daarom gedoemd te falen.
Er zijn echter ook zaken waarin appellanten hun betoog wel degelijk met concrete standpunten onderbouwen. Ook in die gevallen is de bestuursrechter zeer terughoudend in de toetsing en wordt er geen (nadere) onderbouwing gegeven voor de veronderstelde deskundigheid. Een burger die meende dat een commissie bestaande uit een advocaat, een bedrijfseconoom en een bestuursjurist onvoldoende vakinhoudelijke taxatie-kennis van onroerend goed had, kreeg van de Afdeling Geschillen – als TwK-rechter – te horen dat niet valt in te zien waarom een dergelijke commissie over onvoldoende deskundigheid beschikt.2 Appellanten die meenden dat een deskundige onvoldoende deskundig was omdat deze niet met de lokale woningmarkt bekend was, kregen ook geen gemotiveerde afwijzing van hun betoog.3 Ook de klacht dat een deskundige niet was ingeschreven bij de met het taxatieobject corresponderende ‘Kamer’ van het NRVT, was onvoldoende om aan de deskundigheid te twijfelen.4 Illustratief is voorts een zaak waarin appellant consequent uitspraken had verzameld waarin het advies van de adviseur als onvolledig of onzorgvuldig voorbereid was aangemerkt.5 De Afdeling oordeelde dat die verzameling onvoldoende was om aan de deskundigheid van de adviseur te twijfelen en bovendien dat “de SAOZ in dit geval als een onafhankelijke deskundige is te beschouwen.”6 Daarmee is een cirkelredenering ontstaan (de adviseur is deskundig omdat deze als deskundige is aangemerkt en omdat de adviseur als deskundige is aangemerkt, is deze deskundig). Men zou van de (hoogste) bestuursrechter mogen verwachten dat deze kan onderbouwen, bij voorkeur aan de hand van objectieve factoren – zoals die in § 5.6 – waarom een ter discussie gestelde adviseur over voldoende deskundigheid beschikt. Of dat de bestuursrechter voor diens oordeel op zijn minst verwijst naar een eventuele registratie in Register DOBS of het LRGD.
Gedegen rapporten op basis van zorgvuldig feitenonderzoek en met bijvoorbeeld een deskundige planvergelijking waaruit kennis blijkt van de jurisprudentie, leiden tot de benodigde solide nadeelcompensatiebesluiten. De advisering door personen of instanties die onvoldoende deskundige zijn of onterecht het predicaat ‘deskundige’ krijgen, kunnen leiden tot foute besluiten van bestuursorganen en tot verkeerde uitspraken van rechters, met alle schadelijke gevolgen van dien.7
Typerend is een recente planschadezaak waarin appellant klaagde over het feit dat de ingeschakelde taxateur de leeftijd van zeventig jaar had bereikt. Voorts wees hij erop dat de taxateur ook niet meer was ingeschreven bij een beroepsvereniging of certificerende instantie (zie ook nadrukkelijk § 5.6.3 en § 5.6.7). De rechtbank wees deze klachten van de hand overwegende dat het enkele feit dat de taxateur ten tijde van de taxatie de genoemde leeftijd had en niet (meer) was ingeschreven in het register van makelaars en taxateurs niet meebracht dat de taxateur de benodigde deskundigheid ontbeerde.8 In hoger beroep kwam de Afdeling vervolgens tot de conclusie dat er zodanige inhoudelijke onvolkomenheden aan het advies kleefden dat het college dit advies nooit aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.9 Zoals in § 5.6 beschreven, zijn de bovengrens aan ervaring en het niet langer ingeschreven zijn bij een voor de beroepsgroep relevante vereniging kenbare gebreken aan de deskundigheid die de rechtbank in zijn beslissing had kunnen en moeten betrekken.