Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.9.4:9.5.9.4 Wob en bewijsvergaring
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.9.4
9.5.9.4 Wob en bewijsvergaring
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581201:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 7 februari 2007, LJN AZ 7951(Koninklijke Gazelle/Raad van Bestuur NMa).
Kroes 2008a, p. 110.
Kroes 2008a, p. 110.
Kroes 2008a, p. 110.
Vgl. Rb. Amsterdam 29 november 2007, LJN BB9689, JOR 2008, 41 m.nt. D.R. Doorenbos (Pantrust). Vgl. Kroes 2008a, p. 110.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De NMa heeft in mededingingszaken een zelfde soort verplichting als de Commissie om verzoeken van elke derde om toegang tot het dossier in behandeling te nemen en tot openbaarmaking over te gaan als geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn. De Raad van State heeft namelijk, anders dan de NMa altijd heeft verdedigd, vastgesteld dat artikel 90 Mw geen openbaarmakingsregeling bevat die aan de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) derogeert.1 Op grond van de Wob heeft een ieder het recht om informatie neergelegd in documenten te vragen van een bestuursorgaan of een onder een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Bij informatie die is verkregen op grond van een clementieregeling zou de situatie nog anders kunnen liggen. In artikel10 lid 2 sub d Wob is bepaald dat geen informatie dient te worden verstrekt, indien het belang bij het verstrekken van die informatie niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door een bestuursorgaan. Verdedigd zou kunnen worden dat het verstrekken van de informatie in het kader van clementieverzoeken niet opweegt tegen het toezichtsbelang dat de clementieregeling beoogt te dienen.2 Het doel van de clementieregeling is namelijk het opsporen van schendingen van het mededingingsrecht. De verplichting om informatie die in het kader van een clementieverzoek is verstrekt aan derden af te geven,
is strijdig met het grotere publieke belang van opsporing van schendingen van het mededingingsrecht. Kroes wijst daarbij nog op het feit dat het toezichtsbelang zwaarder weegt wegens het feit dat na afloop van het onderzoek eventuele benadeelden hun voordeel zullen kunnen doen met de beschikking van de NMa indien daarin een schending van het mededingingsrecht wordt geconstateerd.3
Kroes wijst terecht op het feit dat een gelaedeerde op grond van artikel 843a Rv van de NMa inzage in of kopie van een clementieverzoek kan vorderen.4 Het is onwaarschijnlijk dat de Wob de weg van artikel 843a Rv afsluit. De strekking van de Wob (openbaarheid van bestuur) is namelijk geheel anders dan de strekking van artikel 843a Rv (verkrijgen van een bewijsmiddel). Het is onzeker of de NMa zich op grond van artikel 90 Mw kan beroepen op het verschoningsrecht van artikel 843a lid 3 Rv.5