Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.2.1:7.2.1 Soevereiniteit
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.2.1
7.2.1 Soevereiniteit
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450504:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.2 en par. 7.5.1. Zie uitgebreid over dit begrip in verhouding tot Europese integratie: De Witte 1995; Van den Brink & Senden 2013; Cuyvers 2013; Van Riel & Bos 2014; Van Rossem 2014a; Van Rossem 2014b; Duchateau 2014. Zie ook: Hoogers & Van den Driessche 2008.
Handelingen II 1996/97, 39, p. 3215.
Handelingen II 1996/97, 39, p. 3222.
Handelingen II 1996/97, 39, p. 3241.
Handelingen II 1996/97, 39, p. 3241.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks dat aan het begrip ‘soevereiniteit’ in het Nederlandse rechtsstelsel weinig waarde wordt gehecht, zoals in de inleiding naar voren kwam, discussieerde de Kamer meermaals over de gevolgen van verschillende stappen van Europese integratie voor de nationale soevereiniteit.1 Volgens sommige Kamerleden werd die soevereiniteit flink ingeperkt door de twee verordeningen. Een precieze omschrijving van het begrip ‘soevereiniteit’, waarover nogal eens verschillend wordt gedacht, ontbrak hierbij overigens. Niet zozeer de staatsrechtelijke betekenis van dit begrip als hoogste macht binnen de staat speelde bij deze discussies een rol, maar veeleer de zelfstandigheid die Nederland door deze verdere Europese integratie op bepaalde terreinen volgens sommigen dreigde te verliezen. Rosenmöller stelde bijvoorbeeld in dit kader:
‘Hier [met het Stabiliteits- en Groeipact, SP] viel naar mijn idee […] definitief het doek voor de nationale soevereiniteit als het gaat om monetair en begrotingsbeleid. Het stabiliteitspact stelt hieraan voor altijd keiharde supranationale grenzen. […].’2
Ook RPF-Kamerlid Rouvoet deelde deze mening:
‘Ik moet bekennen dat ik geen warm gevoel kreeg toen ik […] in de ochtendbladen het ontwerp van de eurobiljetten aantrof. Niet omdat het geen mooie biljetten zouden zijn, maar omdat hiermee een nieuwe stap werd gezet op de weg van het prijsgeven van de nationale monetaire soevereiniteit en het verdwijnen van onze gulden. Immers, zoals president Holtrop van De Nederlandsche Bank het in 1963 schreef: geld is een attribuut van soevereiniteit. En, aldus NRC Handelsblad in 1992 naar aanleiding van het sluiten van het Verdrag van Maastricht: als het land zijn munt opgeeft, heft het zichzelf een beetje op.’3
Rosenmöller botste op dit punt hard met toenmalig minister-president Kok:
‘De stap die nu in Dublin met betrekking tot de EMU gezet is, lijkt ertoe te leiden dat de nationale soevereiniteit, de nationale ruimte om de begroting zelf in te richten beperkter wordt.’4
Kok antwoordde:
‘Ik ben dat echt met u oneens. U doet alsof er […] nu ineens wonderen zijn gebeurd. Wij hebben een Verdrag van Maastricht. Er moest nadere invulling worden gegeven, niet alleen inzake de vraag wat je moet doen om conform het verdrag aan de vereisten van de EMU te voldoen, maar ook inzake afspraken over het proces daarna. Natuurlijk legt het [...] beperkingen op aan de eigen manoeuvreermogelijkheden. Dat is een sequeel, een nader uitgewerkte consequentie van een hoofdkeuze die allang is gemaakt. Ik weet dat u daar niet gelukkig mee bent, maar dat is een ander verhaal. Het is niet juist om te stellen dat in Dublin ineens de wissel is omgezet naar een nieuwe toekomst en naar een beperking van de soevereiniteit. Dat is echt niet waar.’5