Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.7.3.3
9.8.7.3.3 Achterstelling
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649034:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 6.5.3.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361, randnummer 4.34.3.
De discussie over de vraag of de achterstelling doorwerkt of niet, is een vraag naar de interpretatie van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de betreffende achterstelling. Een eventuele achterstelling is geen eigenschap van het vorderingsrecht zelf (zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij opeisbaarheid). Het antwoord op de vraag of de achterstelling ook is overeengekomen ten aanzien van andere schuldeisers op het niveau van de consoliderende rechtspersoon, zegt dan ook niet veel over de aard van de aansprakelijkheid die ontstaat op basis van een 403-verklaring. Anders Nass die bij de bespreking van dit arrest opmerkt: “In het kader van de duiding van de aard van de hoofdelijke aansprakelijkheid is verder van belang dat de Hoge Raad overweegt dat een tussen de schuldeiser en de 403-rechtspersoon overeengekomen achterstellingsbeding geen invloed heeft op het verhaal van die schuldeiser op het vermogen van de 403-aansprakelijke maatschappij die geen partij is bij het achterstellingsbeding.” Nass 2019, p. 207.
Het eerste vraagstuk is of een achterstelling die is overeengekomen ten aanzien van de overige schuldeisers van de vrijgestelde rechtspersoon tevens is overeengekomen ten aanzien van de schuldeisers van de consoliderende rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd.1 Opmerkelijk is dat de Hoge Raad nergens nadrukkelijk aangeeft dat sprake is van twee afzonderlijke vorderingsrechten. Als voorbeeld wijs ik op de volgende passage:2
“Uit dat uitgangspunt volgt echter niet anders dan dat SNS Reaal hoofdelijke aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de schulden van SNS Bank, hetgeen betekent dat de schuldeisers van SNS Bank hun vorderingen (ook) op het vermogen van SNS Reaal kunnen verhalen.”
Voorts blijkt dat het antwoord op de vraag of de achterstelling doorwerkt op het niveau van de consoliderende rechtspersoon met name wordt bepaald door de inhoud van de achterstellingsovereenkomst. Uiteraard zal de 403-verklaring zekerheidshalve moeten worden gecheckt om te kijken welke aansprakelijkheid een consoliderende rechtspersoon heeft aanvaard. Maar een standaard-403-verklaring vermeldt niets over achterstelling. Uit een standaard-403-verklaring – die op de juiste manier wordt uitgelegd – volgt niet dat de aanspraak op de consoliderende rechtspersoon is achtergesteld.3
De Hoge Raad koppelt de achterstelling niet aan het bestaan van twee (zelfstandige) vorderingsrechten, hetgeen zou wijzen op een kwalificatie van de 403-vorde-ring als een hoofdelijke vordering die alle wezenskenmerken van een (zelfstandig) hoofdelijk vorderingsrecht draagt. Het feit dat de Hoge Raad concludeert dat een achterstelling niet doorwerkt op het niveau van de consoliderende rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd, zegt niets over de kwalificatie van een 403-vordering als hoofdelijke vordering dan wel als borgtocht. Wanneer sprake zou zijn van borgtocht, zou een achterstelling ook niet doorwerken op het niveau van de borg wanneer slechts is overeengekomen dat de vordering van de schuldeiser alleen is achtergesteld ten aanzien van vorderingen van andere schuldeisers van de hoofdschuldenaar en niet is overeengekomen dat de vordering is achtergesteld ten aanzien van vorderingen van andere schuldeisers van de borg.4