Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.1
7.5.1 Opdracht
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232767:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Afhankelijk van de wijze waarop de certificaten overgaan c.q. overgedragen worden van de oorspronkelijke certificaathouder of diens rechtsopvolger. In geval van cessie van het vorderingsrecht, dat belichaamd wordt door het certificaat, gaan niet de gehele rechtsverhouding over en blijft mijns inziens de bevoegdheid tot opzegging achter, zie paragraaf 7.7.3.1.
Vegter, preadvies 2004, pagina 124 – 125.
Zie Eisma, preadvies 1990, pagina 81 – 82. In vergelijkbare zin Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/661 en Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 154, voetnoot 7.
F.W.J.M. Schols, Certificering en het stemrechtloze aandeel als alternatief voor bewind, WNPR 2007/6737, pagina 14.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/21 – 28. Hij beschouwt deze indeling als uitputtend, zie nr. 28.
De certificeringsovereenkomst zou allereerst gekwalificeerd kunnen worden als een overeenkomst van opdracht. Bij een overeenkomst van opdracht verbindt de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever om, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.1 Een overeenkomst van opdracht is in beginsel te allen tijde opzegbaar door de opdrachtgever.2 In bepaalde gevallen, te weten indien de opdrachtgever een persoon is die de opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep op bedrijf, is deze bevoegdheid tot opzegging van dwingend recht.3 Aangezien iemand die zijn vermogen certificeert in principe niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf zal handelen, betekent het kwalificeren van certificering als een overeenkomst van opdracht dat de certificaathouder zijn overeenkomst met de STAK te allen tijde kan opzeggen. De mogelijkheid om niet- of beperkt royeerbare certificaten uit te geven zou dan beperkt worden of zelfs uitgesloten zijn.4 Voor de zekerheid van het langdurig kunnen voortbestaan van een certificering is derhalve nodig dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht.
Over de kwalificatie van certificering in dit verband zijn de meningen in de literatuur verdeeld. Vegter komt bijvoorbeeld tot de (voorzichtige) conclusie dat de bepalingen van de overeenkomst van opdracht inderdaad ook gelden voor certificering. Vegter is van mening dat de omschrijving van de overeenkomst van opdracht zeer ruim is. De wetgever heeft hierbij gedacht aan overeenkomsten waarbij wordt afgesproken dat de opdrachtnemer “het belang van de opdrachtgever behartigt”. Zijns inziens is derhalve voldaan aan de juridische omschrijving van het begrip opdracht, indien een eigenaar vermogen overdraagt ten titel van beheer. Dit lijkt hem ook het geval bij opvolging door een verkrijging in de rechtspositie van de vorige certificaathouder krachtens schenking of erfrecht.5
Eisma is daarentegen van mening dat de overeenkomst tussen de certificaathouders en het administratiekantoor een overeenkomst van eigen aard is; deze is niet te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Hij baseert dit op de omstandigheid dat, ook al verbindt het administratiekantoor zich tot het verrichten van werkzaamheden zoals omschreven in (thans) artikel 7:400 lid 1 BW), de omvang en aard van de verplichtingen en bevoegdheden van het administratiekantoor van zodanig ruimere strekking zijn, dat het “verrichten van werkzaamheden” hier slechts een onderdeel van vormt. Voorts merkt Eisma op dat de wetgever, blijkens de parlementaire toelichting, bij de bepalingen inzake opdracht (en lastgeving) ook niet gedacht heeft aan certificering.6
Voorts acht Schols de mening van Vegter, dat certificering een overeenkomst van opdracht is, verdedigbaar, maar voelt zelf meer voor de visie dat de omvang en aard van de verplichtingen en bevoegdheden van het administratiekantoor zodanig ruim zijn, dat het verrichten van werkzaamheden hier slechts een onderdeel van vormt.7
Mijns inziens is geen sprake van een overeenkomst van opdracht. Toegegeven zij dat zowel de omschrijving in artikel 7:400 lid 1 BW zelf, “verrichten van werkzaamheden”, als de in de parlementaire toelichting gegeven voorbeelden een ruim toepassingsbereik suggereren:
In de toelichting worden onder meer genoemd overeenkomsten met een advocaat, een arts, een accountant, een repetitor, een makelaar, een veilinghouder of een kapper, bemiddeling bij aankoop van effecten, vermogensbeheer en het bestuurderschap van een vereniging of stichting. […] Hierbij moet nog worden bedacht dat het niet slechts gaat om ‹‹persoonlijke›› dienstverrichting, maar ook om talrijke vormen van dienstverrichting die door ondernemingen jegens elkaar worden verricht: research-overeenkomsten, computer-opdrachtovereenkomsten (bijvoorbeeld loonadministratie), organisatie-opdrachten, engineeringscontracten, etc.8
en
Onder opdracht vallen overeenkomsten waarvan de door de ene partij verschuldigde prestatie van zeer uiteenlopende aard is. Men denke bij voorbeeld aan medische hulpverlening, aan bemiddeling bij aankoop van effecten, aan rechtskundige bijstand, aan vermogensbeheer, aan het bestuurderschap van een vereniging of een stichting. Het gemeenschappelijke van deze prestaties is, dat zij dienstverlening in enigerlei vorm betreffen. [onderstreping AEdL]9
De overeenkomst van opdracht heeft derhalve betrekking op vormen van dienstverlening, die zeer uiteenlopend van aard kunnen zijn. Samenloop met bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst of de aannemingsovereenkomst wordt voorkomen door de negatieve onderdelen van de definitie opgenomen in artikel 7:400 lid 1 BW. Vraag is dan of de positie van een STAK bij een certificeringsovereenkomst gezien moet worden als een vorm van dienstverlening, als het verrichten van werkzaamheden, die binnen het bereik van deze bepaling valt.
Interessant is in dit verband het onderscheid gemaakt door Tjong Tjin Tai in vier typen dienstverlening binnen de overeenkomst van opdracht.10 Hij verdeelt de opdracht in twee hoofdtypen, de op een persoon gerichte dienstverlening en de kant-en-klare dienst (pakketdienst) en vervolgens in vier subtypen:
Persoonsgerichte dienstverlening – het beroep: dit betreft het type dienstverlening waarbij de opdrachtnemer een grote mate van zelfstandigheid heeft bij het uitvoeren van de opdracht en de opdrachtgever slechts een beperkte mate van controle heeft over de wijze waarop de opdracht wordt uitgevoerd. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een bijzondere deskundigheid van de opdrachtnemer. Bij dit type kan gedacht worden aan de diensten van een arts of een jurist. Veelal zal sprake zijn van een opdracht in vrij algemene termen en zal deze (mede) belangenbehartiging inhouden.
Persoonsgerichte dienstverlening – de dienaar: dit type betreft de huur van arbeid, waarbij de opdrachtnemer meer optreedt als verlengd werktuig van de opdrachtgever. De opdrachtgever geeft instructies, waarbij de deskundigheid van de opdrachtnemer met name ziet op de nadere uitvoering daarvan.
De kant-en-klare dienst: hierbij is sprake van een “pakket” dat wordt aangeboden aan het publiek in het algemeen en waarvan de kenmerken reeds (grotendeels) vastliggen, zodat de mogelijkheden voor de opdrachtgever om hier nader vorm aan te geven beperkt zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een cursus of een abonnement.
De collectieve kant-en-klare dienst: een pakketdienst die massaal wordt aangeboden en waarbij de benodigde werkzaamheden verricht worden ten behoeve van een grote hoeveelheid producten, zoals bij telecomdiensten of een beleggingsfonds, dat belegt ten behoeve van alle deelnemers tegelijk.
In het geval van certificering is de essentie van de overeenkomst mijns inziens dat de STAK optreedt als eigenaar ten titel van beheer en dat zij als zodanig haar eigenaarsbevoegdheden uitoefent ten behoeve van (in principe) de certificaathouder. Dit impliceert het verrichten van werkzaamheden dan wel rechtshandelingen in de uitvoering van deze functie. Dat betekent echter niet dat sprake is van dienstverlening op de wijze als waarop de parlementaire geschiedenis invulling geeft aan de overeenkomst van opdracht, zeker niet als men probeert om certificering in te passen in de indeling van Tjong Tjin Tai. Gezien de hoge mate van flexibiliteit, de vrijheid die het bestuur van de STAK doorgaans zal hebben en de mate waarin certificering is toegespitst op de specifieke situatie van de betrokkenen, zou certificering dan hoogstens in de categorie “beroep” kunnen vallen. Gezien de invulling die Tjong Tjin Tai aan deze categorie geeft, namelijk die van de vrije beroepsbeoefenaar, past certificering als geheel hier echter ook niet onder.
De certificeringsovereenkomst kan, mede afhankelijk van de aard van het gecertificeerde vermogen en de noodzakelijke beheershandelingen die dit met zich brengt, leiden tot werkzaamheden die op zichzelf beschouwd binnen het begrip “opdracht” vallen. Om daarmee de gehele overeenkomst als overeenkomst van opdracht te beschouwen, miskent naar mijn mening echter de essentie van de rechtsverhouding die voortvloeit uit certificering, alsmede dat deze veel meer inhoudt dan de separate handelingen die als opdracht gezien zouden kunnen worden. Ik onderschrijf dan ook de visie van Eisma, dat de aard en omvang van de bevoegdheden en verplichtingen van de STAK zodanig ruim zijn, dat eventuele verrichte werkzaamheden hier slechts een (ondergeschikt) onderdeel van uitmaken. Derhalve is mijns inziens bij certificering geen sprake van een overeenkomst van opdracht.