Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.7.2.8
4.7.2.8 Bezoekende slachtoffers en van verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398398:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hier om voertuigen van bepaalde privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen. In Nederland zijn voertuigen toebehorend aan de Staat en aan gemoedsbezwaarden vrijgesteld.
Het gaat hier om een bepaald type voertuigen of voertuigen met een speciale kentekenplaat, die geacht worden weinig risico in het verkeer op te leveren. Voor Nederland zijn de 'elobikes' onder deze bepaling vrijgesteld. Voor de schade die door dergelijke voertuigen wordt veroorzaakt, kan het waarborgfonds in de lidstaat van het ongeval worden aangesproken, met verhaal op het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.
Aparte aandacht moet worden besteed aan de positie van de benadeelde die slachtoffer wordt van een ongeval dat is veroorzaakt door een op grond van art. 5 lid 1 of 2 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht vrijgesteld motorrijtuig. Zie voor deze categorie voertuigen paragraaf 33.5.5.
Omdat deze voertuigen niet verzekerd zijn, is er ook geen verzekeraar die een schaderegelaar kan aanstellen. De Richtlijn verplicht in het geval van art. 5 lid 1 niet tot aanstelling van een schaderegelaar.1 Denkbaar zou zijn geweest dat de op grond van deze bepaling door de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald aangewezen instantie in de andere lidstaten met de behandeling van '4eRichtlijnschaden' zou zijn belast, maar dat is niet gebeurd. Art. 21 verplicht slechts de verzekeringsonderneming en niet de op grond van art. 5 lid 1 van de verzekeringsplicht vrijgestelde om een schaderegelaar aan te stellen.
Ook uit art. 23 lid 1 onder v jo. lid 4, tweede alinea valt een dergelijke verplichting niet af te leiden. Het informatiecentrum is slechts verplicht de naam van de instantie of van het orgaan dat overeenkomstig art. 5 lid 1 is belast met de schadevergoeding aan benadeelden te registreren en desgevraagd aan benadeelden mee te delen. Het gaat hier om organen of instanties die zijn aangesteld in het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden. In geval van bezoekende slachtoffers is dat een andere lidstaat dan die van woonplaats van de benadeelde. De Richtlijn lijkt mee te brengen dat de benadeelde zich moet wenden tot de instantie in de lidstaat van het ongeval, dan wel in die waar het voertuig gewoonlijk is gestald die in het kader van art. 5 lid 1 met de schaderegeling is belast.
Men denke aan een ongeval in Nederland dat is veroorzaakt door een van de verzekeringsplicht vrijgestelde gemoedsbezwaarde, waarbij een inwoner van Frankrijk gewond raakt.
Op grond van de Richtlijn zou dan het Franse informatiecentrum de Fransman moeten verwijzen naar het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer. Zie art. 23 lid 4, tweede alinea jo. 5 lid 1, derde alinea.
Zou het ongeval zijn veroorzaakt door een voertuig van de Staat der Nederlanden, dan zou hij worden verwezen naar de Staat.
Eenzelfde conclusie moet worden getrokken in het kader van op grond van art. 5 lid 2 vrijgestelde voertuigen.2 Ook de 'verantwoordelijke' voor deze voertuigen behoeft geen schaderegelaar aan te stellen. Het informatiecentrum behoeft aan de benadeelde slechts de naam van 'het orgaan waaronder het voertuig ressorteert' in de lidstaat waar het gewoonlijk is gestald, mee te delen. Met deze wat merkwaardige formulering lijkt de Richtlijn te doelen op het waarborgfonds in die lidstaat.
Hier dient als voorbeeld de Belg die in Nederland door een 'elobike' wordt aangereden. Ook hier zou de benadeelde door het Belgische informatiecentrum worden verwezen naar het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer.
De vraag is echter of de benadeelde zich op grond van art. 25 van de Richtlijn zou kunnen wenden tot het schadevergoedingsorgaan, nu zou kunnen worden betoogd dat dit artikel geen onderscheid maakt naar de reden waarom de verzekeraar niet binnen twee maanden kan worden geïdentificeerd. Deze vraag zal worden besproken in paragraaf 4.8.4.4.