Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.6.4.1
17.6.4.1 Vergader- en informatierechten vis-à-vis de vennootschap
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van rechtspraak omtrent het aantal overgedragen aandelen Te Winkel en Van de Graaff, par. 4.
Zie art. 2:88/194 lid 4 BW.
Art. 2:107/217 BW. Zie ook HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010, 228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
Zie par. 17.3.1.
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2007, JOR 2008/35 (De Hasker), r.o. 3.15.
Hof Amsterdam 12 juni 2014, ARO 2014/135 (Makati).
Ontkennend Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 808. Anders Van Wijk 1996, p. 360 met verdere vindplaatsen.
De positie van de oorspronkelijke aandeelhouder in de vennootschap wordt in belangrijke mate bepaald door de vraag of alle aandelen van de desbetreffende is aandeelhouder zijn overgedragen of slechts een deel daarvan.1 Indien slechts een deel is overgedragen, kan de getroffen aandeelhouder als aandeelhouder blijven participeren in aandeelhoudersvergaderingen.
Indien alle aandelen zijn overgedragen en een recht van vruchtgebruik is achtergebleven bij de getroffen aandeelhouder, kan door middel van de (onmiddellijke) voorziening tijdelijk afwijken van bepalingen van de statuten worden bepaald dat de vruchtgebruiker/getroffen aandeelhouder de vergaderrechten van een certificaathouder heeft.2
Indien alle aandelen zijn overgedragen en er is geen recht van vruchtgebruik is achtergebleven bij de getroffen aandeelhouder, is er een verschil tussen de NV en BV. In art. 2:227 lid 2 BW is ten aanzien van de BV vastgelegd aan wie ‘vergaderrechten’ toekomen. Deze term ontbreekt in de wetgeving ten aanzien van de NV. Het gaat onder meer om het recht om in de aandeelhoudersvergadering het woord te voeren. Dat recht geeft vervolgens weer het recht om informatie te vragen aan bestuur en raad van commissarissen.3
De tekst van art. 2:227 lid 2 BW noemt de oorspronkelijke aandeelhouder niet. Bepleit kan echter worden dat de oorspronkelijke aandeelhouder op één lijn wordt gesteld met certificaathouders,4 die wel worden genoemd in art. 2:227 lid 2 BW. De statuten kunnen bepalen dat aan hen vergaderrecht is toegekend. Aldus zou de ondernemingskamer door middel van tijdelijk afwijken van de statuten kunnen bepalen of vergaderrecht toekomt aan de oorspronkelijke aandeelhouder. Dat acht ik wenselijk. In beginsel brengt het subsidiariteitsbeginsel mee dat de oorspronkelijke aandeelhouder zoveel mogelijk rechten behoudt. Als deze zich echter zo misdraagt tijdens aandeelhoudersvergaderingen dat er een reden is om hem de toegang tot de vergadering te ontzeggen,5 is het nuttig als dat ook kan. In de Makati-beschikking overwoog de ondernemingskamer dat de oorspronkelijke aandeelhouder een adviserende stem in de aandeelhoudersvergadering had.6 Wat de basis hiervan was, werd niet nader toegelicht.
Voor de NV geldt art. 2:117 lid 1 en 2 BW dat bepaalde vergaderrechten toekent aan aandeelhouders, certificaathouders en hun gevolmachtigden. Voor certificaathouders geldt dat zij deze rechten hebben als de certificaten met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven. In de literatuur bestaat geen overeenstemming over de vraag of er, als tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer gelijk gesteld kan worden aan certificering, sprake is van een dergelijke medewerking.7 Het belang van die discussie is beperkt, omdat de vennootschap voor zover nodig (alsnog) de vereiste medewerking kan leveren.
Indien art. 2:117/227 BW zo moeten worden uitgelegd dat aan de oorspronkelijke aandeelhouder geen vergaderrechten toekomen, laat dat onverlet dat de oorspronkelijke aandeelhouder informeel kan worden toegelaten tot de aandeelhoudersvergadering en daarin het woord kan voeren. Bij vennootschappen met een beperkte kring aandeelhouders stuit dat ook niet op praktische bezwaren.