Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.8
8. Tot slot: kavelruil in het BW?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477356:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband uitgebreid G.M.F. Snijders, ‘Het wetsvoorstel pacht: een ‘nieuwe’ titel in het BW?’, in: WPNR (2006) 6663.
Aldus Asser-Snijders, 7-111 Bijzondere overeenkomsten, Pacht, nr. 9.
Aldus W.L. Valk, ‘Het pachtrecht als open systeem’, in: Agrarisch recht 2009/12, p. 487.
Zie onderdeel F.7 hierna.
Dat dit voor de pacht geldt, sinds de opname in titel 7.5 BW, blijkt uit W.L Valk, ‘Het pachtrecht als open systeem’, p. 487.
Ik ben mij er overigens van bewust dat de bepalingen inzake ‘timesharing’ een plek hebben gekregen in de artt. 50a tot en met 50i. Omwille van de wetssystematiek dienen deze artikelen te worden hernummerd tot de artt. 50e tot en met 50m. Op deze wijze sluit de nieuwe titel ‘kavelruil’ naadloos aan bij de titel ‘ruil.’
A.G. Castermans, H.B. Krans, Tekst & Commentaar, Burgerlijk Wetboek (negende druk), Deventer: Kluwer 2011.
Zie tevens het onderdeel ‘proeve van een wettekst’, opgenomen aan het slot van dit onderzoek. Eventuele aanpassingen en vernummeringen in de WILG als gevolg van de ‘verhuizing’ van de kavelruil laat ik in dit verband buiten beschouwing. Denk bijv. aan de aanpassing van art. 1 lid 1 WILG, waar thans nog naar hoofdstuk 9 van de WILG verwezen wordt. Tevens heb ik de onvolkomenheden op diverse onderdelen in de wettelijke regeling, zoals hiervoor in o.m. de onderdelen B en E.2.d aangegeven, zoveel mogelijk laten bestaan. Over de eventuele aanpassing van de wettekst op deze onderdelen zal eerst een (stevige) politieke en wetenschappelijke discussie gevoerd dienen te worden. De reeds geplande evaluatie van de WILG in 2015 zal hier uiteraard een uitgelezen moment voor zijn. Een uitzondering maak ik voor de kwalificatie van de kavelruil als ‘vorm van landinrichting’, waarover meer in onderdeel C.4.c. Ik verschaf mijzelf overigens de vrijheid om, ter gelegenheid van de opname van de kavelruil in het BW, de wettelijke terminologie (eindelijk) te laten aansluiten bij de praktijk en de term ‘kavelruil’ te introduceren in de wettekst.
Hiermee wordt (alsnog) tegemoetgekomen aan de in de onderdelen A.2.c, A.4.c, E.l.d en B.l.g van dit hoofdstuk gehoorde roep om opname van de kwalificatie ‘vorm van landinrichting’ binnen de wettekst Zie in dit kader tevens B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 502.
Door deze ‘schakelbepaling’ is, nog duidelijker dan thans het geval is, een inbrengende partij bij een kavelruil gebonden aan (onder meer) de gebrekenregeling van art. 7:15-17 BW. Zie in dit kader tevens A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, § 3.15 t/m 3.17.
Het voorgaande geldt temeer indien het hierna in onderdeel G.2.f. te behandelen concept van de ‘stedelijke kavelruil’ ooit realiteit zou worden.
De diverse dwarsverbanden en ‘doorkijkjes’ vanuit de kavelruil richting het reguliere civiele recht en de conclusies omtrent de civielrechtelijke integratie zetten mij (verder) aan het denken. De vraag is of het niet tijd is voor een (verdere) inburgering van de kavelruil, als asielzoeker met een dubbel (want privaatrechtelijk en publiekrechtelijk) paspoort in het civiele ‘gastland’. De ultieme wijze van inburgering is uiteraard, met de hiervoor beschreven (nipte) behaalde inburgeringscursus in het achterhoofd, opname van de kavelruil als bijzondere overeenkomst in (boek 7 van) het BW. Gezien de vele parallellen op civielrechtelijk gebied is deze vraag gerechtvaardigd. In de literatuur is zij echter tot op heden nimmer gesteld.
Voor de succesvolle incorporatie van een agrarisch-rechtelijk leerstuk binnen de civielrechtelijke kaders van het BW kan een voorbeeld genomen worden aan de regeling van de pacht, die op 1 september 2007 vanuit de Pachtwet is getransporteerd naar het BW.1 Onder het regime van de Pachtwet werd, net als thans voor kavelruil onder de WILG het geval is, reeds aangenomen dat het algemene verbintenissenrecht in beginsel op pachtovereenkomsten diende te worden toegepast: voor zover de Pachtwet afwijkende voorschriften bevatte, hadden deze als lex specialis voorrang.2 De kavelruil is, als systeem, daarmee ‘in de basis’ geworteld in het civiele recht, net als het materiële pachtrecht.3
De regeling van de pacht in titel 7, 5 BW, ontworpen door De Haan, Iaat zien dat het goed mogelijk is om de pachtovereenkomst in het BW te regelen, voor zover het privaatrecht betreft en de bepalingen van procesrechtelijke en administratiefrechtelijke aard in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering respectievelijk in een uitvoeringswet te plaatsen. Ook elders in het BW wordt deze aanpak gevolgd: zo wordt de privaatrechtelijke regeling voor registergoederen in Boek 3 BW op administratiefrechtelijk vlak nader uitgewerkt in de Kadasterwet en is ook de huur van woonruimte in titel 7.4 BW uitgewerkt in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Voor de kavelruil is er in mijn optiek geen behoefte aan een separate regeling voor bepalingen van procesrechtelijke en/of administratiefrechtelijke aard. De rechtsbescherming van de kavelruil is vormgegeven op de wijze als hierna in onderdeel H.l zal worden omschreven en kan zonder separate procesrechtelijke regeling ook voor ‘BW- kavelruilen’ gelden. Daarnaast is op publiekrechtelijk gebied enkel het subsidietraject via de provinciale verordeningen van belang. Aangezien echter de subsidiëring van de kavelruil thans geheel ontkoppeld is van de civielrechtelijke regelgeving terzake, 4 behoeft hieraan binnen de kaders van het BW geen speciale aandacht te worden geschonken.
Door plaatsing van het ‘kavelruilrecht’ in het BW wordt uitvoering gegeven aan het in artikel 107 van de Grondwet neergelegde codificatiebeginsel, dat meebrengt dat het burgerlijk recht zoveel mogelijk in het BW als algemeen wetboek wordt neergelegd. Door de codificatie kan (verdere) versnippering van het privaatrecht over bijzondere wetten worden voorkomen, hetgeen de overzichtelijkheid van het privaatrecht als geheel bevordert. Tevens kan alsdan (betere) coördinatie van civielrechtelijke rechtsnormen en -beginselen plaatsvinden.5
Over de plaats waar de kavelruil in het BW zou moeten belanden zal weinig discussie bestaan. Boek 7 is de enig mogelijke (nieuwe) thuishaven van de kavelruilovereenkomst als bijzondere overeenkomst.
Vervolgens zal de kavelruil mijns inziens zijn plaats moeten krijgen direct na de ruil uit artikel 7:49 BW. De overeenkomst van kavelruil zal derhalve in een nieuwe afdeling 12A van Titel 1 moeten verschijnen, waarbij de artikelnummering zal aanvangen met artikel 7:50a, dit om de ‘gevestigde orde’ binnen de ‘boek 7-samenleving’ niet al te veel op te schudden.6
Overigens: voor de volgorde waarin de diverse bijzondere overeenkomsten in boek 7 BW zijn opgenomen is de volgende passage illustratief:
“Het enige doel dat de wetgever bij de volgorde van behandeling heeft nagestreefd is een steun voor het geheugen. Overeenkomsten die bepaalde hoofdtrekken hebben zijn bijeen gebracht. Ten eerste, de overeenkomsten strekkende tot overdracht of genot van een goed; hiertoe behoren koop en ruil."7
Door opname van de kavelruilovereenkomst in boek 7, komt de synergie met (bijvoorbeeld) afdeling 5 van boek 6 BW nog prominenter tot uitdrukking. Titel 5 van boek 6 BW is immers op de in de wet afzonderlijk geregelde overeenkomsten van toepassing, voor zover de bepalingen voor de benoemde overeenkomst (Boek 7, 7A of 8 BW) geen bijzondere regeling inhouden. Ook de relatie met de redelijkheid en billijkheid wordt door opname van de kavelruil in boek 7 BW nader verduidelijkt: boek 7 BW beoogt immers de open norm van 6:248 BW voor de meest voorkomende overeenkomsten in te vullen.
Om het niet enkel bij een hersenspinsel te laten blijven, geef ik hierna een eerste aanzet tot een proeve van een wettekst voor de nieuwe kavelruil-titel in het BW:8
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 1. Koop en ruil
Afdeling 12A Kavelruil
Artikel 50a
Kavelruil is de vorm van landinrichting9 waarbij via een schriftelijk aan te gane en in de openbare registers in te schrijven overeenkomst drie of meer eigenaren in de zin van artikel Î, eerste lid van de Wet inrichting landelijk gebied zich verbinden bepaalde, hun toebehorende onroerende zaken samen te voegen, de gegeven massa op een bepaalde wijze te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen.
Bij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid kunnen mede partijen betrokken zijn die tegen inbreng van een geldsom onroerende zaken of tegen inbreng van onroerende zaken een geldsom bedingen, met dien verstande dat overeenkomsten waarbij niet meer dan drie partijen zijn betrokken slechts als kavelnnl worden aangemerkt indien alle partijen onroerende zaken inbrengen en ten hoogste één van hen daartegen slechts een geldsom bedingt.
Een bedrijfsverplaatsing, waarbij de gronden van het achtergelaten bedrijf worden gebruikt om onroerende zaken samen te voegen en de gegeven massa op een bepaalde wijze te verkavelen, kan in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid worden opgenomen.
Indien een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid onroerende zaken omvat waarop hypotheken, conservatoire of executoriale beslagen rusten, is de overeenkomst slechts rechtsgeldig, indien zij door de hypotheekhouders of beslagleggers is medeondertekend.
De akte, bedoeld in het eerste lid, wordt ondertekend door hen, die daartoe bij de overeenkomst bevoegd worden verklaard en wordt ingeschreven in de openbare registers.
Artikel 50b
1.Door inschrijving van een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a, eerste lid, in de openbare registers wordt deze mede verbindend voor degenen die na de inschrijving onder bijzondere titel in de rechten van de eigenaren opvolgen.
2.Indien na de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, komt vast te staan dat een of meer van de partijen bij de overeenkomst geen eigenaar waren, maar in de basisregistratie kadaster als zodanig vermeld stonden, wordt de overeenkomst geacht rechtsgeldig tot stand te zijn gekomen en treedt de werkeiy’ke eigenaar in de rechten en verplichtingen, die de in zijn plaats opgetreden partij onbevoegdelijk heeft verworven en op zich heeft genomen.
Artikel 50c
In een beding van de overeenkomst van kavelruil, bedoeld in artikel 50a, eerste lid, kunnen de artikelen 60, tweede, derde en vierde lid, 81, tweede, vierde en vijfde lid, en 82, derde en vierde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
In de notariële akte van verdeling, bedoeld in artikel 50a, eerste lid, wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde artikelen in het beding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, alvorens een zodanig beding overeenkomstige rechtsgevolgen heeft als de daarin van toepassing verklaarde bepalingen van de Wet inrichting landelijk gebied.
Artikel 50d
Een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a, eerste lid, heeft geen betrekking op:
kavels die deel uitmaken van de bebouwde kom;
kavels die deel uitmaken van een ruimtelijk aaneengesloten of functioneel verbonden samenstel van kavels dat:
in gebruik is voor woningbouw, daaronder begrepen recreatiewoningen, en/of de huisvesting van bedrijven met een niet-agrarische bestemming;
voor een dergeiyk gebruik is bestemd ingevolge plannen of besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening;
daarvoor zal worden bestemd blijkens bekendgemaakte ontweipen voor dergelijke plannen of besluiten;
kavels waar ontgronding plaatsvindt, tenzij daaraan overeenkomstig de voorwaarden die het bevoegd gezag heeft verbonden aan de vergunning tot ontgronding na de ontgronding de bestemming landbouw of ontwikkeling van natuur of kleinschalige recreatie wordt gegeven; en/of
de beperkte rechten met betrekking tot de kavels, bedoeld in lid 2, onderdelen a tot en met c.
Ten slotte zal de inhoud van artikel 50 enigszins moeten worden gewijzigd, zodat dit artikel als volgt komt te luiden:
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden overeenkomstige toepassing op de overeenkomst van ruil, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt.
De bepalingen betreffende koop vinden (tevens) overeenkomstige toepassing op de overeenkomst van kavelruil, tenzij de bepalingen uit afdeling 12A van deze titel, of de in deze afdeling genoemde bepalingen uit de Wet inrichting landelijk gebied, zich tegen deze overeenkomstige toepassing verzetten.10
Bijkomend voordeel van de ‘civilisering’ van de kavelruil is dat het zoeken in de trits ‘WILG, BILG en RILG’ daarmee definitief tot het verleden behoort. Het BW is het vertrekpunt. Van daaruit kan in een voorkomend geval de weg naar de WILG bewandeld moeten worden, maar verder hoeft de kaveiruil-practicus, althans voor de civielrechtelijke regeling van de kavelruil, niet meer te zoeken.
Een ander positief neveneffect van de opname van de regeling van de kavelruil in het BW is dat de kavelruil door deze civielrechtelijke inburgering uit het (agrarische) isolement gehaald wordt Kavelruil is in de basis een ‘juridische kluizenaar’, diep weggestopt in de krochten van de WILG. Succesvolle toepassing van de kavelruil lijkt, alle lovenswaardige pogingen tot promotie van de kavelruil ten spijt, voorbehouden aan een selecte groep specialisten. Door de kavelruil-regeling uit de klei te trekken en enigszins van zijn agrarische huls te ontdoen, zal het instrument een meer prominente plaats in het nationale rechtsbewustzijn verwerven.11 Bovendien is de kavelruil daarmee ook meer onder de aandacht van de wat minder agrarisch geïnteresseerde notaris gekomen. Dit kan een zegen, maar ook een vloek voor de kavelruil zijn. Om uitglijders te voorkomen is, na opname van de kavelruil in het BW, een uitgebreide voorlichtings- en promotiecampagne (vooral) richting het notariaat onontbeerlijk. Ik meld mij daar bij voorbaat gaarne voor aan!
De navolgende vraag van een civielrechtelijke reiziger wil uw gids u, ter afsluiting van dit pleidooi, niet onthouden. De vraag luidde: waarom moeten wij zover reizen naar verre en onherbergzame agrarische en semi-publiekrechtelijke oorden om vervolgens te constateren dat de kavelruil dikwijls ‘net als thuis’ geregeld is? Ik ben het met de reiziger eens. Het wordt tijd voor een moderne ‘kolonisatie’. De kavelruil ‘is van ons allemaal’ en verdient daarom een prominente(re) en logische plek binnen ons rechtsstelsel.