Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.7.2:6.7.2 Een zelfstandig vorderingsrecht volgt geen ander recht en is zelfstandig vatbaar voor cessie
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.7.2
6.7.2 Een zelfstandig vorderingsrecht volgt geen ander recht en is zelfstandig vatbaar voor cessie
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648788:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, r.o. 3.4.5.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140, NJ 2015/361.
Zie paragraaf 6.5.4.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vorderingsrecht is een vermogensrecht en wordt aangemerkt als een goed:
Artikel 3:1 BW
Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.
Artikel 3:2 BW
Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.
Artikel 3:6 BW
Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.
Zelfstandige vorderingsrechten kunnen ieder afzonderlijk worden overgedragen:
Artikel 3:83 BW
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.
De overdracht van een vorderingsrecht dient te voldoen aan de vereisten van artikel 3:84 BW en aan de bijzondere bepaling voor cessie, artikel 3:94 BW. De tussenconclusie is dat een 403-vordering een vorderingsrecht is dat zelfstandig kan worden overgedragen. Dit zou niet opgaan wanneer een 403-vordering zou kunnen worden aangemerkt als een afhankelijk recht:
Artikel 3:7 BW
Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.
Het gevolg van het aanmerken van een 403-vordering als een afhankelijk recht zou zijn dat een 403-vordering mee overgaat als de hoofdvordering overgaat op een nieuwe schuldeiser:
Artikel 3:82 BW
Afhankelijke rechten volgen het recht waaraan zij verbonden zijn.
De Hoge Raad heeft inzake de kwestie Akzo Nobel/ING1 aangegeven dat een 403-vordering geen van de hoofdvordering afhankelijk recht is:2
“Nu een eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid niet een afhankelijk recht in het leven roept, getuigt het oordeel van de Ondernemingskamer dat het recht dat de contractant verkrijgt jegens de moedermaatschappij, een afhankelijk recht – als bedoeld in de artikelen 3:7 en 3:82 BW – is, van een onjuiste rechtsopvatting.”
In een latere uitspraak3 lijkt de Hoge Raad te hebben betoogd dat de hoofdvordering en de 403-vordering met elkaar ‘verbonden’ zijn.4 Hoe deze verbondenheid precies moet worden geduid, is onduidelijk. Daarom zal er – in lijn met de uitspraak inzake de kwestie Akzo Nobel/ING5 – vanuit worden gegaan dat de Hoge Raad van mening is dat een 403-vordering geen afhankelijk recht is. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad en de hiervoor geciteerde regelgeving volgt dan dat een 403-vordering een zelfstandig recht is wat met zich brengt dat een 403-vordering achterblijft wanneer de hoofdvordering wordt overgedragen. De zelfstandigheid van de 403-vordering brengt niet alleen met zich dat deze bij de cessionaris achterblijft, maar dit leidt er ook nog toe dat de 403-vordering zelfstandig kan worden overgedragen.