Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/III.3.1
III.3.1 Adviesrecht ondernemingsraad ex art. 25 lid 1 sub e WOR?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242848:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs er voor de volledigheid op dat de algemene vergadering bevoegd is het besluit tot invoering van het monistische bestuursmodel te nemen. Art. 25 lid 1 sub e WOR rept echter niet van een voorgenomen besluit van de algemene vergadering, maar van een voorgenomen besluit van ‘de ondernemer’. Hieronder moet volgens art. 1 lid 1 sub d WOR worden verstaan: “de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt”. In de literatuur komt men via verschillende routes tot de conclusie dat besluiten van de algemene vergadering adviesplichtig kunnen zijn. Sommige auteurs betogen dat de besluitvorming van de rechtspersoon geschiedt in en door zijn organen. Aangezien de algemene vergadering een orgaan van de vennootschap is, kunnen haar besluiten direct onder het adviesrecht van art. 25 lid 1 WOR vallen. Zie in deze zin bijvoorbeeld Van Mierlo 2013, p. 71 en 225; en Sprengers 2011, p. 97 en 100. Andere auteurs, onder wie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/637 en 638; en Rood, TVVS 1995/140, menen dat voorgenomen besluiten van andere organen dan het bestuur slechts adviesplichtig kunnen zijn via de techniek van ‘toerekening’ van besluitvorming. Ik laat deze discussie verder rusten. Beide redeneringen leiden namelijk tot de conclusie dat de ondernemingsraad adviesrecht toekomt, mits sprake is van een (voorgenomen) besluit als bedoeld in art. 25 lid 1 WOR.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 7 december 2005, JAR 2006/29 (Stichting MEE Zeeland). De stichting was voornemens het aantal door de werknemers te benoemen bestuursleden te verminderen. De Ondernemingskamer oordeelde dat het voorgenomen besluit reeds om die reden onder de reikwijdte van art. 25 lid 1 sub e WOR viel.
Art. 2:143/253 BW biedt niet-structuurvennootschappen de mogelijkheid bij de statuten te bepalen dat een of meer commissarissen, doch ten hoogste een derde van het gehele aantal, worden benoemd door de ondernemingsraad. Bij structuurvennootschappen kan de benoemingsbevoegdheid krachtens art. 2:158/268 lid 12 BW aan de ondernemingsraad toegekend worden.
Hanteert de vennootschap het structuurregime, dan gaat de benoemingsbevoegdheid van de ondernemingsraad niet verloren. Art. 2:164a/274a lid 1 BW verklaart art. 2:158/268 lid 12 BW namelijk van overeenkomstige toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders van de vennootschap.
Zoals gezegd, biedt Boek 2 BW structuurvennootschappen met een monistisch bestuursmodel wél de mogelijkheid de benoemingsbevoegdheid bij de ondernemingsraad te leggen. Zie art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:158/268 lid 12 BW, waarover § IV.2.1.2.
In § IV.2.1.2 ga ik hier nader op in.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 16 (MvT).
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/435; Boschma e.a. 2018, p. 16; Calkoen 2012, p. 307; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:129a/239a BW, aant. 2; Strik 2010, p. 130; Verburg 2015, p. 48; en Zaal 2014, p. 32.
Voor de invoering van het monistische bestuursmodel rustte die taak primair op de algemene vergadering en de werknemers. Zie over toezicht door de algemene vergadering en de werknemers Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/270.
Hof Amsterdam (OK) 30 december 2003, JAR 2004/45 (Intergas).
Idem Holtzer in zijn noot onder Hof Amsterdam (OK) 3 oktober 2016, JOR 2016/333 (NS Groep NV); en Van het Kaar, TRA 2016/63. Ik wijs bijvoorbeeld op Hof Amsterdam (OK) 10 juni 1982, NJ 1983, 746 m.nt. Maeijer; Hof Amsterdam (OK) 23 januari 2004, JAR 2004/47 m.nt. Beltzer (KG Holding); Hof Amsterdam (OK) 3 oktober 2016, JOR 2016/333 m.nt. Holtzer (NS Groep NV); en – met betrekking tot een stichting – Hof Amsterdam (OK) 13 november 1980, NJ 1981, 588 m.nt. Maeijer; Hof Amsterdam (OK) 17 november 1983, NJ 1984, 742 m.nt. Maeijer (Stichting X); Hof Amsterdam (OK) 20 juni 1996, JAR 1996/152 (Stichting de Opbouw); Hof Amsterdam (OK) 18 maart 2011, JAR 2011/129 (Stichting Kalorama); en Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2016, JAR 2016/108 (Stichting Reinier Haga Groep).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 6 maart 1986, NJ 1988, 124 m.nt. Maeijer (Algemene bank Nederland); en – met betrekking tot een vereniging – Hof Amsterdam (OK) 17 maart 1983, NJ 1984, 732 m.nt. Maeijer.
Idem Maeijer, in zijn noot onder Hof Amsterdam (OK) 17 maart 1983, NJ 1984, 732. Ik wijs bijvoorbeeld op Hof Amsterdam (OK) 10 juni 1982, NJ 1983, 746; Hof Amsterdam (OK) 23 januari 2004, JAR 2004/47 (KG Holding); en – met betrekking tot een stichting – Hof Amsterdam (OK) 20 juni 1996, JAR 1996/152 (Stichting de Opbouw); en Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2016, JAR 2016/108 (Stichting Reinier Haga Groep).
Hof Amsterdam (OK) 23 januari 2004, JAR 2004/47 (KG Holding).
Hof Amsterdam (OK) 20 juni 1996, JAR 1996/152 (Stichting de Opbouw). Voor de volledigheid wijs ik erop dat het in deze zaak om een stichting ging. Een vergelijkbare situatie deed zich voor in Hof Amsterdam (OK) 9 september 1999, JOR 2000/27 (Psychiatrisch Ziekenhuis Sint Franciscushof).
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/435; Boschma e.a. 2018, p. 16; Calkoen 2012, p. 307; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:129a/239a BW, aant. 2; Strik 2010, p. 130; Verburg 2015, p. 48; en Zaal 2014, p. 32.
In de vorige paragraaf schreef ik dat de instelling van het monistische bestuursmodel een statutaire basis vereist. Op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW moet in de statuten worden opgenomen dat de bestuurstaken worden verdeeld over één of meer uitvoerende bestuurders en één of meer niet-uitvoerende bestuurders.
Het is denkbaar dat de vennootschap een onderneming in stand houdt waarin een ondernemingsraad is ingesteld.1 In dat geval volstaat een wijziging van de statuten conform art. 2:129a/239a lid 1 BW mogelijk niet. Vindt door de invoering van het monistische bestuursmodel een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming of in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming plaats, dan moet de ondernemingsraad om advies worden gevraagd op grond van art. 25 lid 1 sub e WOR.2
Het staat buiten kijf dat het (voorgenomen) besluit tot instelling van een one tier board adviesplichtig is indien de statutenwijziging gepaard gaat met een aantasting van de bevoegdheden van de ondernemingsraad.3 Denkbaar is bijvoorbeeld dat de ondernemingsraad bevoegd is een of meer commissarissen te benoemen.4 Switcht de vennootschap van bestuursmodel, dan vervalt deze bevoegdheid. Althans, bij niet-structuurvennootschappen.5 De wet voorziet namelijk niet in een equivalent van art. 2:143/253 BW voor niet-structuurvennootschappen met een monistisch bestuursmodel.6 Uit art. 2:132/242 lid 1 BW blijkt evenmin dat de statuten een afwijkende benoemingsregel kunnen bevatten.7 Het (voorgenomen) besluit tot invoering van de one tier board moet in dit geval dus aan de ondernemingsraad worden voorgelegd.
Maar wat nu als het (voorgenomen) besluit tot instelling van het monistische bestuurmodel niet direct leidt tot een aantasting van de bevoegdheden van de ondernemingsraad? Is het (voorgenomen) besluit dan ook adviesplichtig? De minister beantwoordt deze vraag bevestigend.8 Ook in de literatuur wordt de stelling geponeerd dat het (voorgenomen) besluit tot instelling van het monistische bestuursmodel aan de ondernemingsraad moet worden voorgelegd.9 Een motivering ontbreekt echter veelal.
De invoering van de one tier board heeft mijns inziens primair gevolgen voor de bevoegdheidsverdeling op het niveau van de vennootschap. Zo komt de toezichthoudende taak na de invoering van het monistische bestuursmodel bij de niet-uitvoerende bestuurders te liggen.10 Verder behoren de niet-uitvoerende bestuurders de overlegvergaderingen van de ondernemer met de ondernemingsraad bij te wonen.11
Dat de invoering van het monistische bestuursmodel primair gevolgen heeft voor de verdeling van de bevoegdheden op het niveau van de vennootschap, wil niet zeggen dat het (voorgenomen) besluit tot invoering niet adviesplichtig is. In de Intergas-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat het onderscheid tussen de rechtspersoon en de onderneming in dit kader ‘kunstmatig’ is.12 De Ondernemingskamer stapt derhalve eenvoudig over de ‘doorwerkingsdrempel’ heen.
De Ondernemingskamer heeft zich tot op heden niet uitgelaten over de vraag of de instelling van het monistische bestuursmodel adviesplichtig is. Wel oordeelde zij meermalen over andere wijzigingen in de topstructuur en/of het bestuursmodel van rechtspersonen. De bestendige lijn in de jurisprudentie is dat deze wijzigingen onder het adviesrecht van de ondernemingsraad vallen, mits deze wijzigingen ‘belangrijk’ zijn.13 Een enkele wijziging in de taakverdeling tussen de bestuurders valt om die reden buiten het bereik van art. 25 lid 1 sub e WOR.14 De zaken liggen anders indien de verschuiving van de bestuurstaken gepaard gaat met een wijziging van de omvang van het bestuur en/of de governancestructuur.15
Illustratief is de zaak KG Holding.16 In deze zaak stond de wijziging van de bestuursstructuur van KG Holding NV centraal. In plaats van uit een CEO en een COO kwam de directie te bestaan uit een CEO en twee ‘titulair’ directeuren. Beide ‘titulair’ directeuren kregen een eigen portefeuille toebedeeld. Volgens de Ondernemingskamer was in deze zaak sprake van een belangrijke wijziging in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming als bedoeld in art. 25 lid 1 sub e WOR.
Ik wijs voorts op de zaak Stichting de Opbouw.17 Het ging in deze zaak om een wijziging van een zogenoemd ‘instructiemodel’ – met een bestuur en een directie – naar een Raad van Toezicht model. De Ondernemingskamer overwoog dat een zodanige wijziging van het grondpatroon van de juridische structuur van de stichting onder het adviesrecht van de ondernemingsraad ex art. 25 lid 1 sub e WOR valt.
De invoering van het monistische bestuursmodel leidt niet louter tot een wijziging in de taakverdeling tussen de bestuurders. De invoering van de one tier-structuur heeft tevens een wijziging van de governancestructuur tot gevolg. En die wijziging gaat, zoals gezegd, gepaard met een belangrijke herverdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming. Bovendien leidt de invoering van het monistische bestuursmodel in de regel tot een wijziging van de omvang van het bestuur.
Tegen deze achtergrond concludeer ik dat het (voorgenomen) besluit tot instelling van de one tier-structuur onder het bereik van art. 25 lid 1 sub e WOR valt. Is de vennootschap voornemens het monistische bestuursmodel in te voeren, dan behoort zij dus advies in te winnen van de ondernemingsraad.18