Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.1
16.9.1 Vrijwillige toepassing op de BV
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402395:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tweede Richtlijn (77/91/EEG), PbEG nr. L 26 van 31 januari 1977. De Tweede Richtlijn bevat veel voorschriften die als minimumbepalingen zijn aan te merken; ten aanzien van dergelijke bepalingen staat het de lidstaten vrij strengere bepalingen in te voeren of te handhaven. Zie voor een uitvoerige bespreking van de Richtlijn Schutte-Veenstra 1991 en Schutte-Veenstra 1997. Op 14 november 2012 is een gecodificeerde versie van de Tweede Richtlijn opgenomen in PbEU 2012, L 315/74 (Richtlijn 2012/30/EU). Daardoor heeft geen inhoudelijke wijziging plaatsgevonden, maar is een aantal artikelen hernummerd. Zie hierover Schutte-Veenstra 2013.
Lutter 1964.
Zie hoofdstuk 11 van dit proefschrift. Een uitzondering behelst het in art. 23 Richtlijn vervatte verbod op financiële steunverlening, dat haar oorsprong vindt in het Engels, en niet in het Duitse vennootschapsrecht, zie par. 16.9.4 hierna.
Het NV-recht is aan de Richtlijn aangepast door de Wet aanpassing Tweede EEG-Richtlijn, Stb. 1981, 332 (i.w.tr. 1 september 1981). Het BV-recht is aangepast door de Wet houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656 (i.w.tr. 20 januari 1986).
Zie het verslag van Gitmans van de discussie tijdens het Van der Heijden congres dat op 27 en 28 april 1979 werd gehouden te Nijmegen (Gitmans 1979, p. 74-75).
Op 13 december 1976 werd de Tweede Europese Richtlijn inzake het vennootschapsrecht vastgesteld, die tot doel heeft een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van de NV te waarborgen.1 De Richtlijn is in hoge mate gebaseerd op een onderzoek van de Duitse jurist Lutter,2 zodat de invloed van het destijds in Duitsland geldende kapitaalbeschermingsrecht daarin duidelijk doorklinkt.3 De Richtlijn heeft de Nederlandse wetgever genoopt tot een ingrijpende herziening van de bepalingen in Boek 2 BW inzake publicatie, kapitaal en vermogensonttrekking. Hoewel de Richtlijn louter van toepassing is op de NV, heeft de Nederlandse wetgever ook een belangrijk deel van de BV-bepalingen daarmee in overeenstemming gebracht.4 Volgens de Nederlandse wetgever was er onvoldoende materieel onderscheid tussen een BV en een NV; beide rechtsvormen werden immers gekenmerkt door beperkte aansprakelijkheid van aandeelhouders. Ook de crediteuren van de BV hadden daarom belang bij de verbeterde crediteurenbescherming zoals voorgeschreven door de Richtlijn.5
Deze keuze van de Nederlandse wetgever is niet uitsluitend met instemming begroet. Volgens Van Schilfgaarde was het technische en complexe karakter van de Richtlijn niet bezwaarlijk, omdat (beursgenoteerde) NV’s doorgaans werden bijgestaan door deskundigen op het gebied van het vennootschapsrecht. Nu dit niet gold voor de BV, vond hij dat de gespecialiseerde wetgeving uit de Richtlijn voor de BV vermeden moest worden. Van der Grinten en Scholten deelden zijn standpunt niet. Zij waren van mening dat voor de BV niet al te afwijkende voorschriften moesten gelden inzake de realiteit van het kapitaal.6