Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/3.2.1.1
3.2.1.1 Invoering 1838
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180093:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van den 23sten Maart 1826, inhoudende den tweeden titel van het eerste boek van het Wetboek van Koophandel, Stb. 1826, 18 en de Wet van den 23. December 1834, houdende veranderingen in het eerste boek van het Wetboek van Koophandel, Stb. 1834, 42. Inwerkingtreding op 1 oktober 1838, Stb. 1838, 12.
M. van Overeem, Leerboek van het enkel boekhouden, Utrecht: H. Honig 1921, zevende herziene druk, p. 4.
Wet van den 23sten Maart 1826, inhoudende den tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Koophandel, Stb. 1826, 18.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen van Nederlandsche wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel, art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-Boekhandelaar 1840, p. 67.
Wet van den 23. December 1834, houdende veranderingen in het eerste boek van het wetboek van koophandel, artikel 2 en J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen van Nederlandsche wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel, art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-Boekhandelaar 1840, p. 67.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen van Nederlandsche wetboeken volgens de beraadslagingen deswege gehouden bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit oorspronkelijke grootendeels onuitgegeven staatsstukken opgemaakt en aan den Koning opgedragen, deel VIII, Wetboek van Koophandel, I deel, art. 1-229, Utrecht: Robert Natan, Akademie-Boekhandelaar 1840, p. 66.
M. van Overeem, Leerboek van het enkel boekhouden, Utrecht: H. Honig 1921, zevende herziene druk, p. 5.
M. van Overeem, Leerboek van het enkel boekhouden, Utrecht: H. Honig 1921, zevende herziene druk, p. 12.
B. Boon, Simon Stevin’s Coopmansbouckhouding, eene inleiding tot de kennis van het Italiaansch boekhouden, Leiden: S.C. van Doesburgh 1887, p. 16.
J. Hagers, Het koopmansboekhouden en zijne toepassingen in de Practijk, Eerste deel, Dagelijksche Methode, ’s-Gravenhage: Van der Laan & Co 1912, zesde herziene druk, p. 1 en 7.
C. Knapper Kz., Leerboek van het boekhouden, Arnhem: J. Rinkes Jr. 1900, vijfde herziene druk, p. 2.
L. van Zanten Jzn., Leerboek voor de theorie en de practijk van het boekhouden naar de nieuwe theorie van N. Brenkman, Groningen: P. Noordhoff 1890, p. 3.
Artikel 2004 (oud) BW.
A. de Pinto, Handleiding tot het Wetboek van Koophandel, Tweede gedeelte, aanteekeningen, ’s Gravenhage: J. Belinfante 1941, p. 28.
Ook voor de leden 2 en 3 van artikel 2:10 BW is de oorsprong in de Nederlandse wetgeving te vinden in het op 1 oktober 1838 in werking getreden Wetboek van Koophandel. De artikelen 7, 8 en 10 WvK, de voorlopers van de artikel 2:10 leden 2 en 3 BW, zijn op hun beurt weer gebaseerd op de Franse Code de Commerce.1 Bij de invoering van het Wetboek van Koophandel in 1838 legden de artikelen 7, 8 en 10 WvK de volgende verplichtingen op aan de koopman:2
Hij is verpligt om de brieven, welke hij ontvangt, te bewaren, en van die genen, welke hij afzendt, een kopijboek te houden.
Hij is verpligt om alle jaren, binnen de zes eerste maanden van elk jaar, eenen staat en balans op te maken, in een afzonderlijk daartoe gestemd register in te schrijven en eigenhandig te ondertekenen.
De kooplieden zijn gehouden hunne boeken dertig jaren te bewaren.
Over de verplichting van artikel 7 WvK is in de parlementaire geschiedenis niets noemenswaardigs opgemerkt. Van Overeem stelt dat de wettelijke bepaling van artikel 7 WvK “zóó eenvoudig” is, dat het geen nadere toelichting behoeft.3
Artikel 8 WvK verplichtte de koopman om jaarlijks binnen zes maanden na afloop van een jaar een staat en een balans op te maken, in te schrijven en eigenhandig te ondertekenen. Artikel 3 Code de Commerce, het artikel dat model stond voor artikel 8 WvK, kende een termijn van drie maanden. Artikel 8 WvK kende bij het aannemen van het Wetboek van Koophandel in 1826 ook een termijn van drie maanden voor het opmaken van de balans en de staat.4 Nadat deze wet was aangenomen maar voorafgaande aan de inwerkingtreding, werd de vraag gesteld of drie maanden niet te kort was, met name in het geval van buitenlandse betrekkingen.5 Dit heeft geleid tot een wijziging van de termijn voor het opmaken van de balans en de staat naar zes maanden na afloop van het jaar.6
Artikel 3 Code de Commerce verplichtte de koopman “un bilan de son actif et passif” op te maken7, hetgeen in het Wetboek van Koophandel de verplichting tot het opstellen van een staat en een balans is geworden.
Van Overeem beschrijft dat met de staat in artikel 8 WvK een inventaris wordt bedoeld. Dit is een min of meer gedetailleerde opgave van iemands bezittingen, al dan niet met de daaraan toegekende waarde, en een opgave van zijn schulden.8 De balans is een verkorte opstelling van de inventaris/staat, waarbij het niet zozeer gaat om de aanwezige bezittingen en schulden zelf als wel om de waarde ervan.9 Boon stelt dat met de staat wordt bedoeld een bij de balans gevoegde ontleding van de daarop staande posten. Het is niet voldoende, aldus Boon, dat de balans spreekt van debiteuren, crediteuren, goederen, enz. De koopman is verplicht die debiteuren, crediteuren enz. op de staat aan te wijzen.10 Ook Hagers11 omschrijft de staat en de balans op een vergelijkbare wijze.
Knapper daarentegen beschrijft de verplichting van artikel 8 WvK als de verplichting om een staat van zijn bezittingen en schulden op te maken.12 Hij lijkt daarbij geen onderscheid te maken tussen een staat en de balans, althans hij bespreekt het maken van de balans niet als onderdeel van artikel 8 WvK.
Een andere invulling van het begrip staat lijkt te worden voorgestaan door Van Zanten. Hij stelt dat met de staat een gedetailleerde opgave van de behaalde winsten en geleden verliezen wordt bedoeld en dat de balans een uitvoerig overzicht moet geven van de bezittingen en schulden, die aanwezig zijn op het einde van het tijdvak waarover de staat loopt.13 De door Van Zanten gehanteerde omschrijving van staat – opgave van winst en verlies – is weliswaar een andere dan die door de overige auteurs uit dezelfde periode wordt gehanteerd – gedetailleerde opgave van bezittingen en schulden – maar toch ben ik niet helemaal zeker of hier inderdaad sprake is van een grote tegenstelling. In het rond 1900 nog veel gebruikte systeem van het enkel boekhouden werd het resultaat bepaald door een vergelijking van het kapitaal aan het begin en het einde van een periode. Wanneer het kapitaal was toegenomen, was winst gemaakt. Bij een afname van het kapitaal was verlies geleden. Het lijkt erop dat Van Zanten de staat gebruikt vanuit het perspectief van resultaatbepaling door kapitaalvergelijking.
Ik houd het er daarom op dat de wetgever in 1838 in artikel 8 WvK heeft beoogd aan de koopman de verplichting op te leggen een balans en een staat in de zin van inventaris op te maken. Dat komt ook het meest overeen met de omschrijving van de overeenkomstige verplichting in artikel 3 van de Code de Commerce.
De in artikel 10 WvK bepaalde termijn van dertig jaar was aanmerkelijk langer dan de tien jaar die was voorgeschreven in artikel 11 Code de Commerce. De reden voor de langere termijn in het Wetboek van Koophandel was de in het Burgerlijk Wetboek gehanteerde verjaringstermijn van dertig jaar.14 De bewaarplicht gold alleen voor de in de artikelen 6, 7 en 8 voorgeschreven boeken15 en niet voor de ook in artikel 7 genoemde brieven. Dit is met opzet zo bepaald. De wetgever meende dat de koopman niet kon worden verplicht alle door hem ontvangen brieven gedurende een zo lange termijn te bewaren, omdat dit hem op lange termijn in problemen zou kunnen brengen. Daarbij werd overigens ook overwogen dat de koopman er zelf wel belang bij had ook deze brieven zo lang mogelijk te bewaren, omdat ze een bewijs in zijn voordeel zouden kunnen opleveren.16