Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.2.1
4.2.1 Inleiding
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192713:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderzoek beperkt zich tot de bescherming die voortvloeit uit het EVRM, in het bijzonder uit art. 1EP EVRM. Volledigheidshalve merk ik op dat art. 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘EU Handvest’) een vrijwel gelijkluidend recht op bescherming van het recht op eigendom bevat. De rechtspraak van het Europese Hof van Justitie sluit ook aan bij de jurisprudentie van het EHRM inzake art. 1 EP EVRM, zie Sluysmans e.a. 2015, p. 380. Art. 51 lid 1 Handvest bepaalt dat lidstaten uitsluitend gebonden zijn aan de bepalingen van het Handvest wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Omdat de WHOA deels onder het toepassingsbereik van de Herstructureringsrichtlijn valt, is Nederland op dit punt gebonden aan het Handvest. De toetsing van nationale wetgeving aan het EU Handvest verloopt via een ander stramien dan de toetsing aan het EVRM. Bovendien werken de EU Handvestbepalingen op een andere manier door in horizontale verhoudingen. Bovendien hebben sommige van deze bepalingen mogelijk, anders dan de EVRM-bepalingen, directe horizontale werking. Zie hierover Asser/Hartkamp 3-I 2019, nr. 231a-j en HvJ EU 6 november 2018, AA20190218 m.nt. Hartkamp (Stadt Wuppertal/Maria Bauer en Volker Willmeroth/Martina Broßonn).
Zie voor uitgebreidere uiteenzettingen over de werking van het EVRM in de Nederlandse rechtsorde bijvoorbeeld: Barkhuysen & Van Emmerik 2005; Ploeger 2005; Asser/Hartkamp 3-I 2019/198-234; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/25-31.
103. Een pre-insolventieakkoord leidt tot wijziging van de rechten van de in het akkoord betrokken vermogensverschaffers. Zoals hierna zal blijken, kwalificeert een dergelijke wijziging als een inmenging in het eigendomsrecht in de zin van art. 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Daarom dienen de wettelijke pre-insolventieakkoordregeling en de rechterlijke homologatiebeschikkingen de toets aan art. 1 EP EVRM te kunnen doorstaan. Ook art. 6 EVRM (het recht op een eerlijk proces) is relevant voor de pre-insolventieakkoordprocedure. In deze paragraaf wordt zeer beknopt uiteengezet op welke wijze het EVRM1 een rol speelt in de Nederlandse rechtsorde, waarna de bepalingen die van belang zijn voor het dwangakkoord buiten insolventie aan de orde komen.2