Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/1.1.2:1.1.2 Weerslag inzichten omtrent betrouwbaarheid in het recht
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/1.1.2
1.1.2 Weerslag inzichten omtrent betrouwbaarheid in het recht
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lepsius 2003, p. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het besef dat aan getuigenverklaringen gebreken kunnen kleven, bestaat al heel lang in het recht. Zo is reeds in het Romeinse en het Joodse recht de unus testis, nullus testis-regel terug te vinden, die inhoudt dat één getuigenverklaring onvoldoende is om een veroordeling op te baseren.1 De gedachte die hieraan ten grondslag ligt, is dat het woord van één enkele getuige niet zwaarder zou mogen wegen dan dat van de beschuldigde persoon. Met de strafbaarstelling van meineed en de daaraan gekoppelde meineedprocedure wordt getracht te voorkomen dat getuigen bewust een onware verklaring afleggen. Naast aandacht voor het feit dat getuigen kunnen liegen, bestaat van oudsher veel aandacht voor de oorsprong en authenticiteit van informatie afkomstig van getuigen. Zo was de Nederlandse wetgever ten tijde van de totstandkoming van het Wetboek van Strafvordering uit 1926 doordrongen van de risico’s die gepaard gaan met het gebruik van verklaringen van ‘horen zeggen’ voor de bewijsbeslissing. Vanwege deze risico’s heeft de wetgever met de invoering van het Wetboek van Strafvordering trachten te bewerkstelligen dat getuigen zoveel mogelijk ter terechtzitting verklaren opdat de oordelende rechter rechtstreeks kan kennisnemen van de inhoud van hun verklaringen. Tot slot heeft ook het inzicht uit de verlichting dat waarneming en interpretatie als kenbronnen kunnen (en moeten) worden onderscheiden, zijn weerslag gevonden in het Wetboek van Strafvordering. Zo geldt tot op de dag van vandaag de eis dat verklaringen van getuigen moeten zijn gebaseerd op de eigen waarneming van de getuige en dat zij geen conclusies of gissingen mogen inhouden.
De voornoemde inzichten zijn nog steeds van groot belang. Echter, mede onder invloed van de rechtspsychologie is men nauwgezetter gaan kijken. In de twintigste eeuw is (meer) inzicht gekomen in cognitieve gebreken die kleven aan getuigenverklaringen. Niet alleen is duidelijk geworden dat getuigen in alle oprechtheid een onjuiste verklaring kunnen afleggen, ook de omstandigheden waaronder getuigen worden gehoord blijken door te werken op de kwaliteit van de af te leggen verklaring. Onderzoek hieromtrent laat zien dat de procedure van totstandkoming van groot belang is voor de inhoud en waarheidsgetrouwheid van de afgelegde verklaring. Ook is gebleken dat bij de totstandkoming van getuigenverklaringen een wisselwerking bestaat tussen het intrinsieke cognitieve proces en de omstandigheden van buitenaf. Bovendien is ook de belangstelling voor de oordeelsvorming van de rechter toegenomen en groeit de kennis over de factoren die daarop van invloed zijn. Zo blijkt dat de vorm waarin (getuigen)verklaringen worden aangeboden, effect heeft op de wijze waarop de rechter deze verklaringen waardeert.
De nieuwe inzichten kristalliseren zich steeds verder uit, maar hebben tot dusver niet tot fundamentele aanpassingen in het wettelijk stelsel geleid. Het Wetboek van Strafvordering heeft sinds de inwerkingtreding in 1926 op het punt van de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen geen wezenlijke veranderingen ondergaan, de regels met betrekking tot de oproeping van getuigen en enkele bijzondere procedures uitgezonderd. Wel zijn op het niveau van de uitvoering allerlei regels ontwikkeld, maar deze zien slechts op de totstandkoming van bepaalde categorieën getuigenverklaringen en onttrekken zich ook deels aan het zicht van de strafrechter die over de bewijswaarde van de getuigenverklaring moet oordelen. De vraag rijst dan ook of de nieuwe inzichten geen aanleiding geven om wet- en regelgeving aan te scherpen, dan wel aan te vullen of om anderszins aanpassingen in het juridisch stelsel aan te brengen.