Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2.5
6.3.2.5 Verwijtbaarheid (vergelding) bij verzuimboeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463253:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken I, vergaderjaar 1995-1996, 23 470, nr. 233b, p. 5.
Met artikel 67q AWR als eventuele herstelmogelijkheid.
Zie Rechtbank Gelderland 20 september 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:4990; NTFR 2016/2738, met noot Soltysik).
Hoge Raad 20 december 1995 (ECLI:NL:HR:1995:AA1517), Hof Amsterdam 5 februari 2008 (ECLI:NL:GHAMS:2008:BC6768), Hof Den Haag 7 mei 2010 (ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5045). Hof Den Bosch refereert een enkele keer aan een ‘marginaal verzuim’ (Hof Den Bosch 13 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3217). Bij vergrijpboeten leent in sommige gevallen de aard van het vergrijp zich niet voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid (Hof Den Haag 12 februari 2014, r.o. 7.19.2, ECLI:NL:GHDHA:2014:354). Zie ook Van Suilen, TFB 2008/03.
Vergrijpboeten kunnen oplopen tot forse bedragen en zien op bestraffing van ernstige overtredingen die gepaard gaan met opzettelijke of grofschuldige gedragingen. Verzuimboeten daarentegen zijn relatief lage boeten – en zijn ook bij wet in absolute zin gemaximeerd – en richten zich op lichtere overtredingen. Nu vallen sommige beboetbare gedragingen in materiële zin onder zowel de delictsomschrijving van een verzuimboete als de delictsomschrijving van een vergrijpboete. Denk bijvoorbeeld aan het niet doen van aangifte voor de aanslagbelastingen (artikel 67a en 67d AWR) en het niet betalen van een aangiftebelasting (artikel 67c en 67f AWR). Het enige verschil in de redactie van de betreffende verzuim- en vergrijpboetedelicten is de verwijtbaarheid; bij de vergrijpboeten maakt de (mate van) verwijtbaarheid (opzet of grove schuld) onderdeel uit van de delictsomschrijving en bij de verzuimboeten ontbreekt een verwijzing naar enige vorm van verwijtbaarheid. Dit onderscheid zou erop kunnen duiden dat de wetgever bij verzuimboeten mogelijk een soort restcategorie van verwijtbaarheid op het oog had.
Vaak wordt dan ook bij verzuimboeten gerefereerd aan ‘lichte schuld’, althans in gevallen die niet ‘zwaar’ genoeg zijn voor de kwalificatie grove schuld.1 Dit impliceert dat er nog een specifieke (lichte) schuldcategorie voor verzuimboeten zou bestaan, en dat die categorie zich op een bepaalde manier verhoudt tot de ‘zwaardere’ grove schuldcategorie. In deze visie zou in theorie per geval de mate van lichte schuld kunnen worden bepaald die dan als uitgangspunt kan gelden voor de maximaal toepasbare vergeldingsmaatstaf. Maar bij deze visie past naar mijn mening wel een aantal kanttekeningen.
In de eerste plaats gaat de ‘lichte schuld-benadering’ uit van de gedachte dat de inspecteur altijd een schuldonderzoek uitvoert, vervolgens de mate van verwijtbaarheid vaststelt om uiteindelijk een keuze te maken tussen een verzuim- of een vergrijpboete (of strafrechtelijke vervolging; zie paragraaf 15 BBBB). Maar door de automatisering van het verzuimboeteproces – er vindt dan in het geheel geen schuldonderzoek plaats – is deze gedachtegang al lange tijd achterhaald. De automaat maakt het immers niet uit of een verzuim nu opzettelijk, grofschuldig of slechts met lichte schuld wordt begaan. Wordt het verzuim geconstateerd, dan volgt simpelweg de verzuimboete, ook in gevallen van feitelijke opzet of grove schuld.2
Daarnaast lijkt het ook mogelijk een verzuimboete op te leggen in gevallen waarin een vergrijpboete meer voor de hand ligt. Uit lid 2b van paragraaf 15 van het BBBB volgt namelijk dat in voorkomende gevallen voor een verzuimboete moet worden gekozen als deze hoger uitvalt dan de – van de boetegrondslag afhankelijke – vergrijpboete (zie ook onderdeel 6.4.2.3).3 Dus zelfs als na een schuldonderzoek de inspecteur opzet of grove schuld bewezen acht, kan hij er toe overgaan een verzuimboete in plaats van een vergrijpboete op te leggen.
Ten slotte lijkt de hiervoor beschreven gedachtegang over de categorie ‘lichte schuld’ voorbij te gaan aan het feit dat de verwijtbaarheid geen onderdeel uitmaakt van de verzuimboetedelictsomschrijvingen. Voor het opleggen van verzuimboeten is immers – net als bij strafrechtelijke overtredingen – niet vereist dat de (mate van) verwijtbaarheid bewezen wordt. Voldoende is dat aannemelijk wordt dat het feit door de belastingplichtige begaan is en dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas).
Deze minimale schuldpositie van ‘het gedaan hebben’ kent echter weinig schakeringen. Immers, je hebt iets gedaan of je hebt iets niet gedaan. Er lijkt dus geen ruimte te zijn voor differentiatie naar de mate van verwijtbaarheid. De jurisprudentie wijst echter in een andere richting. Met enige regelmaat vermindert de rechter een verzuimboete onder verwijzing naar zogeheten ‘verminderde verwijtbaarheid’.4 Dit betekent dat bij verzuimboeten – naast avas – ook de mate van verwijtbaarheid een rol speelt, namelijk in de sfeer van de individuele straftoemeting. Dit fenomeen wordt ook wel straftoemetingsschuld genoemd.