Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/10.2.2.2
10.2.2.2 De ruling met Starbucks
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285201:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 8, par. 5.2.
Aanleiding hiervoor was de openingsbeschikking Europese Commissie van 11 juni 2014, nr. C(2014) 3626 final, V-N 2014/59.7.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 2 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 228, blz. 1.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 9 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 229.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 9 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 229.
Hoofdstuk 8, par. 3.
Aantekening redactie Vakstudie Nieuws bij brief Staatssecretaris van Financiën van 9 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 229, V-N 2015/12.3.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 2 maart 2016 (rulings Inter IKEA Systems B.V.), Kamerstukken II 2015/16, 31 066, nr. 258. Pas nadat de Europese Commissie eind 2017 een formeel onderzoek was gestart (brief Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2017, Kamerstukken II 2017/18, 25 087, nr. 183) werden de leden van de vaste commissie voor Financiën in een besloten en vertrouwelijke technische briefing alsnog geïnformeerd (brief Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 2018, Kamerstukken II 2017/18, 25 087, nr. 186).
Persbericht Europese Commissie van 21 oktober 2015, IP/15/5880, V-N 2015/55.4 en het nadien gepubliceerde besluit Europese Commissie van 21 oktober 2015, C(2015) 7143, V-N 2016/42.3. Uiteindelijk werd geoordeeld dat geen sprake was van staatssteun (Gerecht EU van 24 september 2019 (Starbucks), ECLI:EU:T:2019:669, V-N 2019/49.11).
Brief Minister en Staatssecretaris van Financiën van 27 november 2015, Kamerstukken II 2015/16, 25 087, nr. 113, blz. 3 en Verslag, Kamerstukken II 2015/16, 25 087, nr. 114, blz. 6 en blz. 27.
Art. 67, derde lid, AWR spreekt over: “In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid (…)”. Zie uitgebreider: Appendix A.
Brief Staatssecretaris van Financiën van 2 februari 2015, Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 228, blz. 1 (voetnoot nr. 2).
Op voorhand was duidelijk dat de Europese Commissie het besluit nog openbaar zou maken nadat vertrouwelijke gegevens waren verwijderd. Dat zou juist een argument moeten zijn om (vooruitlopend daarop) een andere afweging te maken.
In Hoofdstuk 8 is ingegaan op het inlichtingenrecht van art. 68 GW waarbij voorafgaand aan daadwerkelijke verstrekking van fiscale gegevens een belangenafweging dient te worden gemaakt.1 Dat dit geen sinecure is, blijkt wel uit de gevraagde inzage in de ruling met Starbucks.2 Met betrekking tot inzage in rulings in het algemeen schrijft de Staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 2 februari 2015:3
Het parlementaire recht op informatie is een belangrijke pijler in ons democratisch stelsel. Daarbij kan spanning optreden tussen het recht op informatie en de fiscale geheimhoudingsplicht (…). In het geval uw verzoek dergelijke informatie betreft, moeten de belangen worden afgewogen; enerzijds het democratisch belang van informatie voor het parlement, anderzijds het belang van het vertrouwelijk behandelen van gegevens van de belastingplichtige.
De Staatssecretaris vervolgt dat het noodzakelijk kan zijn om de Tweede Kamer vertrouwelijk inzage te geven in de relevante gegevens rond een specifieke belastingplichtige, maar dat hij geen reden ziet om zonder specifieke aanleiding inzage te geven in rulings. Dit zou het vertrouwen in de Belastingdienst en in Nederland als vestigingsland schaden. Exact een week later, op 9 februari 2015, schrijft de Staatssecretaris van Financiën over de ruling met Starbucks:4
Zoals ik schreef in mijn brief van 2 februari 2015 kan het in bijzondere gevallen, waarin een cruciaal politiek oordeel zich toespitst op één specifiek geval, wenselijk zijn uw Kamer vertrouwelijk inzage te geven in een ruling. In beginsel beschouw ik Starbucks niet als zo’n geval. Immers, dit geval wordt door de Europese Commissie onderzocht en beoordeeld. De uitkomst van die beoordeling kan uw Kamer vervolgens betrekken bij haar controlerende taak.
Bij de door de Staatssecretaris van Financiën zorgvuldig gemaakte belangenafweging tussen het recht op informatie en de fiscale geheimhoudingsplicht prevaleert in onderhavig geval derhalve de fiscale geheimhoudingsplicht. Het is dan ook zeer opmerkelijk dat de Staatssecretaris van Financiën, in weerwil van de gemaakte belangenafweging, toch besluit de leden van de vaste commissie voor Financiën in een besloten en vertrouwelijke technische briefing te informeren met als argumentatie:5
Echter, over deze specifieke casus is inmiddels zoveel openbaar gemaakt, dat pragmatisme het hier voor mij wint van principes.
Zoals in Hoofdstuk 8 al werd opgemerkt, is het voor de fiscale geheimhouding irrelevant of gegevens reeds openbaar zijn.6 Ook een pragmatische instelling zet de geheimhouding niet opzij. In het ene scenario is het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën bijzonder ongelukkig geformuleerd en heeft hij bedoeld te schrijven dat de al bestaande openbaarheid tot gevolg heeft dat de inbreuk op de privacy van Starbucks beperkt is, waardoor de belangenafweging in dit specifieke geval uitvalt ten gunste van de Kamerleden. In het andere scenario schendt hij de fiscale geheimhoudingsplicht. De Staatssecretaris van Financiën heeft immers een zorgvuldige afweging gemaakt waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht prevaleert om vervolgens bewust – op basis van een oneigenlijk argument – toch informatie te verstrekken. De reactie Vakstudie Nieuws stelt in ieder geval terecht vast dat de Staatssecretaris van Financiën behoorlijk ver gaat en hij zich mogelijk op glad ijs begeeft.7 Bij een vergelijkbaar verzoek inzake de ruling van Ikea maakte de Staatssecretaris van Financiën een andere afweging.8
Het delen met de Tweede Kamer van een samenvatting van het (destijds nog niet gepubliceerde) besluit van de Europese Commissie – dat bij Starbucks sprake zou zijn van staatssteun – is eveneens discutabel;9 met gebruikmaking van ontheffingsbevoegdheid van art. 67, derde lid, AWR werd deze samenvatting gedeeld.10 Als argument werd aangedragen dat sprake was van een zeer principiële, uitzonderlijke zaak waarover al erg veel in de openbaarheid was gekomen en het besluit ook door de Europese Commissie openbaar zou worden gemaakt. De grondslag voor het verstrekken van informatie aan de Tweede Kamer is echter art. 67, tweede lid, onderdeel a, AWR jo. art. 68 GW. Hierdoor wordt niet meer toegekomen aan art. 67, derde lid, AWR.11 In voornoemde brief van 2 februari 2015 merkt de Staatssecretaris van Financiën nota bene zelf op dat géén beroep hoeft te worden gedaan op art. 67, derde lid, AWR omdat art. 68 GW zijn eigen juridisch kader kent waaraan moet worden getoetst.12 Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat een politieke overweging (het tegemoetkomen van ongeduldige Kamerleden) waarschijnlijk evenmin een valide argument is om een ontheffing te verlenen.13