Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.4.2:3.4.2 De statuten als beoordelingsmaatstaf voor de toetsing van besluiten
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.4.2
3.4.2 De statuten als beoordelingsmaatstaf voor de toetsing van besluiten
Documentgegevens:
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS595026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierover werd ook wel anders gedacht. Als argument werd hiervoor aangevoerd dat een besluit in strijd met de statuten niet als vanzelfsprekend nietig behoorde te zijn. De rechter zou van geval tot geval moeten beoordelen of door het niet naleven van de statuten de belangen van de aandeelhouders geschonden waren. Alleen als de belangen van de aandeelhouders geschonden waren, zou de nietigheid, in de zin van art. 46a WvK kunnen volgen. Van der Heijden 1929, nr. 224.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aangenomen werd dat besluiten in strijd met de statuten op verzoek van een aandeelhouder nietig verklaard moesten kunnen worden. In het door Nelissen voorgestelde art. 46d (zie de vorige paragraaf en hoofdstuk 3 § 6.3), was een voorschrift van die strekking opgenomen. In het ontwerp Heemskerk, zie de vorige paragraaf, was dat artikel niet overgenomen. Evenmin was een dergelijke regel toegevoegd aan art. 46aWvK. Over de vraag of de nietigheid van een besluit in strijd met de statuten, kon worden ingeroepen, zweeg art. 46a WvK. Het was, zo meende men in die tijd ook niet nodig een dergelijk voorschrift in de wet op te nemen. De aandeelhouders hadden er immers belang bij dat de regels die aan hun samenwerking ten grondslag lagen, de oprichtingsovereenkomst en de statuten, werden nageleefd. Op basis daarvan werd aangenomen dat de nietigheid van een besluit in strijd met de statuten op grond van art. 46a WvK kon worden ingeroepen. Een bepaling als voorzien was in art. 46d van het Ontwerp Nelissen, was derhalve niet nodig.1