Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/7.2
7.2 Inzage, afschrift of uittreksel
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS456390:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W.A. Hoyng, Vier procesrechtelijke wensen in 'In het nu wat worden zal' (Schoordijkbundel), p. 105-118, Kluwer 1991.
E.M. Wesseling-van Gent, To fish or not to fish, that's the question, Het verzamelen van feiten en bewijs: begrenzing versus verruiming, een kruisbestuiving tussen civiel procesrecht en ondernemingsprocesrecht, Nederlandse Vereniging voor Procesrecht, Boom Juridische uitgevers Den Haag 2006.
Zie verder hoofdstuk 14 van dit boek.
Voorzieningenrechter Rb Zwolle 24 februari 2004, A05169.
Rb Dordrecht 23 juni 2004, AP3695. Deze uitspraak wordt door H.A. Dragstra, de exhibitieplicht in het arbeidsrecht, Tijdschrift Recht en Arbeid 2009, afl. mei 2009, op p. 16, noot 7 onjuist gedateerd op 24 juni 2008. Anders ter zake bewijsbeslag Rb Den Haag 27 maart 2008, B9 6004 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6004 in) overwegende dat, anders dan Nike betoogt, een recht op afgifte van de bescheiden waarop het beslag betrekking heeft, niet voortvloeit uit art. 843a Rv. Hof Den Haag 24 augustus 2006, AY7534 overweegt ter zake een vordering tot afgifte van een originele tekening, dat op grond van art. 843a Rv een partij in beginsel geen afgifte van bescheiden kan vorderen zodat de vordering tot afgifte van de originele tekening zonder nadere gronden niet voor toewijzing vatbaar is.
Hof Den Bosch 4 april 2006, AW4335, JBPR 2007, 12 m.nt. J.C.A. Linssen onder JBPR 2007, nr 6, Philips consumer communications bv tegen Altimex International. Altimex dient tien originele schrijfproeven voor schriftkundig onderzoek aan Philips geven omdat, alhoewel de tekst van art. 843a Rv het niet mogelijk maakt om afgifte van bescheiden te gelasten, de beginselen van een goede procesorde met zich brengen dat Altimex de originelen moet overleggen omdat de deskundige bij voorkeur originele handtekeningen wenst te onderzoeken. Afgifte dient plaats te vinden aan de procureur van Philips tegen verstrekking van een ontvangstbewijs. Rb Arnhem 12 april 2006, AY0152, stelt dat de vordering er toe strekt dat gedaagde het complete strafdossier dient over te leggen en lijkt dit toe te wijzen.
BR 31 mei 2002, NJ 2003, 589, m.nt. Vranken.
HR 11 juli 2008, BC8421, NJ 2009, 451, m.nt. E.J. Dommering.
HR 22 september 2000, NJ 2001, 647, m.nt.JdB. In zijn noot schrijft De Boer dat in dit geval, waar het gaat om de verwerkelijking van een persoonlijkheidsrecht van een kind, de man gedwongen kan worden mee te werken aan bewijslevering, in het bijzonder door toe te staan dat wangslijmvlies wordt afgenomen. Naar ongeschreven recht zou de man jegens het kind in het maatschappelijk verkeer hiertoe verplicht zijn, waarbij misschien zelfs directe reële executie mogelijk is door de deurwaarder met analogische toepassing van art. 491 e.v. Rv buiten de man om een koffiekopje of tandenborstel onder zich te laten nemen. Het lijkt na die opmerking niet meer zo'n grote stap te zijn om de verplichting tot afname van wangslijmvlies te gronden op art. 843a Rv, zeker gelet op het bewijskarakter van dit artikel en de mogelijkheid van bewijsbeslag.
HR 15 februari 2008, BC1860, NI 2008, 106.
In de literatuur komen de woorden 'inzage, afschrift of uittreksel' alleen maar aan de orde bij de vraag of het bewijsbeslag op grond van dit artikel mogelijk is. Hoyng heeft daarover opgemerkt dat geschriften in Nederland gemakkelijker verdwijnen dan getuigen en is van mening dat om die reden bewijsbeslag moet worden toegestaan.1 Dit houdt dan in dat conservatoir beslag wordt gelegd op bepaalde (originele) bewijsstukken ter voorkoming dat deze verdwijnen. Gelet op deze reden voor het bewijsbeslag lijkt het voor de hand te liggen dat eveneens om sequestratie wordt verzocht. Na Barendrecht en Van den Reek en Hoyng is het in de literatuur even stil geweest over dit bewijsbeslag, maar Wesseling-van Gent heeft er weer de nodige aandacht aan besteed.2 Zij merkt op dat art. 843a Rv ook wordt gebruikt als juridische grondslag voor een bewijsbeslag.3
Uit de rechtspraak blijkt dat deze simpele woorden 'inzage, afschrift of uittreksel' toch ook vragen kunnen oproepen. Volgens de rechtbank Zwolle moet, gelet op deze woorden, een vordering tot afgifte worden afgewezen. Uit wetsgeschiedenis noch jurisprudentie valt volgens deze rechtbank af te leiden dat met inzage, afschrift of uittreksel ook afgifte wordt bedoeld.4 De rechtbank Dordrecht is daarentegen van oordeel dat waar bewijsbeslag is gelegd, art. 843a Rv onder bepaalde omstandigheden recht geeft afgifte te vorderen van bepaalde bescheiden.5 Het hof Den Bosch oordeelt eveneens dat onder omstandigheden een vordering tot afgifte onder `inzage' kan worden gebracht.6 Linssen merkt hierover op dat de verwezenlijking van de ratio van art. 843a Rv soms juist een verplichting tot (tijdelijke) afgifte vergt.
In par. 7.1.1 is het Observatiearrest7 aan de orde geweest en de opvatting van Vranken dat niet valt uit te sluiten dat op grond van dit arrest kan worden geconcludeerd dat een vordering tot afgifte van materiaal om het te vernietigen alle perken van de exhibitieplicht te buiten gaat. Art. 843a Rv kan geen grond voor een dergelijke vordering zijn. Uit HR 11 juli 20088 kan wel worden geconcludeerd dat een vordering tot afgifte voor vernietiging wel mogelijk is. In die zaak oordeelt de Hoge Raad in overweging 3.8.6 over een op art. 6:162 BW gebaseerde vordering tot vernietiging van onder meer persoonsgegevens dat de eisende partij (De Telegraaf) desnoods opnieuw bij de burgerlijke rechter een bevel tot vernietiging of verbod tot gebruik van de informatie kan vorderen.
Het feit dat in een enkele uitspraak afgifte wordt gelast, doet de vraag rijzen of inzage van of in DNA kan worden verzocht, zodat ik hier ook enkele 'bloed-en/of DNA-uitspraken' de revue laat passeren.
In HR 22 september 20009 gaf de rechtbank ambtshalve een bevel tot DNA-onderzoek. Het hof is van oordeel dat de toenmalige art. 221 en 182 lid 1 Rv (nu respectievelijk 194 en, min of meer, 284 Rv) grondslag voor zo'n bevel vormen. De Hoge Raad is van oordeel dat het de rechter vrijstaat om een deskundigenonderzoek te bevelen, ook als het gaat om verkrijging van bewijs tegen de man, waarbij geoordeeld kan worden dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de man die wordt veroorzaakt door een DNA-onderzoek gerechtvaardigd is. Niemand rept over art. 843a Rv, maar eigenlijk is hier uiteindelijk sprake van het krijgen van inzage in bepaalde gegevens.
In een zaak waarin de man een verzoek heeft ingediend tot ontkenning van het vaderschap, bepaalt het hof in een tussenbeschikking dat een DNA-onderzoek dient plaats te vinden. De moeder weigert mee te werken en het hof legt zich daar bij neer. In zijn conclusie schrijft Langemeijer dat als een partij niet vrijwillig meewerkt aan een DNA-onderzoek, er geen mogelijkheid is om deze medewerking af te dwingen. Ook al is de inbreuk op het lichaam gering (wangslijm afnemen), het blijft een aantasting van het lichaam waarvoor art. 11 Gw een wettelijke basis vereist. De Hoge Raad deelt die mening en overweegt dat het verlenen van medewerking aan een DNA-onderzoek niet rechtens afdwingbaar is.10