Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.3.2
3.3.2 Kenmerken van formele (getuigen)verklaringen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Coady 1992, p. 26-27 en 38.
Coady 1992, p. 33.
Zo gelden beweringen die een mening inhouden niet als verklaring in juridische zin. Zie op dit punt meer uitvoerig § 10.4.1.1.
Dat verdachten in het continentale procesmodel niet als getuige kunnen optreden in hun eigen strafproces is te herleiden tot het inquisitoire gedachtegoed waarin de verdachte primair object van onderzoek is.
Competentie is evenwel een eis die wordt gesteld aan getuigen. Ook kan de mate van deskundigheid van de getuige wel van belang zijn voor de waarde die aan zijn waarneming kan worden gehecht. Zie § 10.4.1.1.
Walton 2008, p. 16.
Walton lijkt dit overigens ook te onderkennen (Walton 2008, p. 16).
Verklaringen doen zich in het strafproces in allerlei vormen voor en krijgen een eigen juridische invulling, naargelang de persoon of functionaris die verklaart, het onderwerp waarover, het moment, de wijze waarop en ten wiens overstaan wordt verklaard. Verklaringen binnen de juridische context zijn altijd – in meer of mindere mate – geformaliseerd. Dit wordt helder geïllustreerd door Coady die in dit verband onderscheid maakt tussen formal en natural testimony: natural testimony heeft betrekking op de verklaringen in meer alledaagse zin, terwijl het bij formal testimony gaat om – ten behoeve van het gebruik van de juridische procedure – geformaliseerde verklaringen.1 De behulpzame voorbijganger die een ander de richting wijst naar het postkantoor, de nieuwslezer die de uitslag van de laatste voetbalwedstrijd opleest of de persoon die desgevraagd aan de politie vertelt dat hij inderdaad een kind heeft gezien dat aan de gedane beschrijving voldoet, leggen allen een natuurlijke verklaring af. Formal testimony heeft volgens Coady, die zich primair heeft georiënteerd op het Angelsaksische model, de volgende trekken:
‘a) It is a form of evidence.
b) It is constituted by persons A offering their remarks as evidence so that we are invited to accept p because A says that p.
c) The person offering the remarks is in a position to do so, i.e. he has the relevant authority, competence, or credentials.
d) The testifier has been given a certain status in the inquiry by being formally acknowledged as a witness and by giving his evidence with due ceremony.
e) As a specification of (c) within English law and proceedings influenced by it, the testimony is normally required to be first hand (i.e. not hearsay).
f) As a corollary of (a) the testifier’s remarks should be relevant to a disputed or unresolved question and should be directed to those who are in need of evidence on the matter.’2
Vrij vertaald gaat het bij verklaringen in de kern om beweringen over de werkelijkheid, waarbij de persoon die van de bewering kennisneemt wordt uitgenodigd om de inhoud van die bewering als waar aan te nemen (voorwaarde b). Het gaat daarbij volgens Coady om een vorm van bewijs (voorwaarde a), hetgeen meebrengt dat het beweerde relevant moet zijn voor een bepaald onopgehelderd vraagstuk en moet zijn gericht tot die personen die daaraan behoefte hebben (voorwaarde f). Op deze onderdelen komt de natuurlijke verklaring overeen met de formele verklaring. Een voorbijganger die desgevraagd beweert dat het postkantoor twee straten verder is gelegen, legt een verklaring in de hiervoor bedoelde zin af. De formalisering is daarin gelegen dat speciale eisen worden gesteld aan de bron, waarbij zijn informatiepositie centraal staat. Om de bewering in het strafproces voor het bewijs te kunnen gebruiken, wordt door de rechter (of de jury) gekeken of de bron wel over autoriteit, competentie of de juist kwalificaties beschikt om deze beweringen te kunnen doen (voorwaarde d). In het dagelijks leven worden verklaringen weliswaar ook geëvalueerd aan de hand van de bron (zo zullen de meeste mensen voordat ze de weg vragen, informeren of de persoon in kwestie bekend is in de buurt), maar in het strafproces wordt daar meer gewicht aan gehecht vooral wanneer de beweringen vanuit een vermeende deskundigheid worden gedaan. In de meer formele setting van het strafproces is tevens de status die de bron heeft gekregen in het onderzoek en de procedure waaronder zijn verklaring is verkregen van belang voor het gebruik van beweringen voor de bewijsbeslissing (voorwaarde d). Tot slot worden in het strafproces veelal eisen gesteld aan de inhoud of oorsprong van de bewering (voorwaarde e).
Nadere beschouwing van dit model leert dat het is geënt op het Anglo- Amerikaanse procesmodel. Dit komt tot uitdrukking in voorwaarde e, waarin het verbod op hearsay is opgenomen. De eis dat verklaringen uit eerste hand moeten zijn, geldt namelijk niet in alle rechtsstelsels (zoals in de voorwaarde zelf ook al wordt aangegeven). Het is in het recht echter niet ongebruikelijk een bewering pas als verklaring in juridische zin aan te merken als aan bepaalde inhoudelijke vereisten is voldaan.3 In Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels wordt voorts een breder getuigenbegrip gehanteerd dan dat in continentale rechtsstelsels gangbaar is, hetgeen in het model tot uitdrukking komt in voorwaarden c en d. Ook deskundigen en verdachten kunnen in Anglo-Amerikaanse stelsels als (expert) witness optreden, terwijl het etiket ‘getuige’ in continentale rechtsstelsels uitdrukkelijk is gereserveerd voor personen die hun informatie primair ontlenen aan hun eigen waarneming en níét reeds als verdachte zijn aangemerkt.4 Aan deskundigen komt in continentale rechtsstelsels op grond van de inhoud van de verklaring een aparte status toe: zij verklaren niet zozeer vanuit hun eigen waarneming, maar vanuit een bepaalde deskundigheid.
Coady heeft getracht een model te ontwerpen waarin alle soorten verklaringen kunnen worden ondergebracht. Walton wijst er echter op dat de formulering van voorwaarde c vooral lijkt te zijn gebaseerd op deskundigenverklaringen, waar wordt gesproken over authority, competence or credentials.5 In die zin zou het te beperkt zijn geformuleerd om formal testimony in brede zin te omvatten. Walton stelt om die reden voor om de derde voorwaarde te vervangen door de algemene voorwaarde dat de verklarende persoon in de moet zijn om te weten wat hij zegt. Walton spreekt in dit verband van position to know.6 Een persoon is volgens Walton in a position to know op het moment dat hij over bepaalde kennis beschikt. Echter, doordat Coady de kennis van de zegspersoon niet noemt in zijn model, voorkomt hij dat het begrip afhankelijk wordt van wat de zegspersoon ook daadwerkelijk weet. Het komt immers ook voor dat beweringen van een getuige worden aangemerkt als een verklaring in juridische zin omdat aan de zegspersoon een bepaalde kennis wordt toegedicht die hij in werkelijkheid niet heeft. Ook als de zegspersoon niet in a position to know is, kunnen diens beweringen worden aangeduid als verklaring.7
Dat in Coady’s model niet wordt gedifferentieerd tussen de verschillende informanten en datgene waaraan zij hun kennis ontlenen (deskundigheid of waarneming), doet niet af aan de relevantie van het model voor andere stelsels waarin het getuigenbegrip minder omvattend is. Het model verschaft inzicht in wat verklaringen in brede zin zijn en wat de verklaringen van verschillende informanten met elkaar gemeen hebben. Voorts laat het duidelijk zien dat in de processuele context niet alleen de inhoud, maar ook de formele hoedanigheid van de informant aanleiding kan zijn om het beweerde al dan niet als (getuigen)verklaring te bestempelen. In het tweede deel van dit onderzoek zal nader worden ingegaan op de invulling van het getuigenbegrip in de Nederlandse context en de eisen die daarbinnen aan de getuigenverklaring worden gesteld. Hier volstaat de vermelding dat wanneer in het navolgende wordt gesproken van een getuige, wordt gedoeld op personen die hun informatie ontlenen aan hun eigen waarneming en die niet de status van verdachte hebben.