Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.1.2:3.1.2 De basis; het arrest Baris/Riezenkamp
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.1.2
3.1.2 De basis; het arrest Baris/Riezenkamp
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299445:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas/Valburg).
Vgl. Drion 1982, p. 231.
HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 (Baris/Riezenkamp).
In dit arrest ging het om een geval van dwaling: op de precontractuele fase was derhalve de contractuele fase gevolgd, waarin echter een geschil speelde waarvan het ontstaan in de precontractuele fase gezocht moest worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vóór het hierna te bespreken arrest van 18 juni 1982 (Plas/Valburg)1 gold in het Nederlandse recht de regel dat partijen te allen tijde vrij zijn onderhandelingen af te breken, zonder dat de afbrekende partij hierdoor schadeplichtig wordt. In de lagere jurisprudentie werd soms het bestaan van een stilzwijgend, gefingeerd contract aangenomen, terwijl onder (bepaalde) andere omstandigheden wel eens tot een onrechtmatige daad werd gekomen,2 maar vanaf 1982 heeft de Hoge Raad in een reeks van arresten de "doctrine van de afgebroken onderhandelingen" geformuleerd. Als fundament van deze reeks moet het arrest van de Hoge Raad van 15 november 1957 beschouwd worden (Baris/Riezenkamp).3 In dit arrest ging het weliswaar niet om het afbreken van onderhandelingen4, maar de Hoge Raad oordeelde wel dat in de onderhandelingsfase partijen tot elkaar komen te staan "in een bijzondere door de goede trouw beheerste rechtsverhouding". Deze rechtsverhouding brengt volgens de Hoge Raad met zich dat partijen hun gedrag mede dienen te laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van hun wederpartij. Deze door de Hoge Raad nog onder het oude recht geformuleerde regel leidde de Hoge Raad tot de conclusie dat de goede trouw (naar huidig recht: redelijkheid en billijkheid) met zich brengt dat op de dwalende partij een onderzoeksplicht kan rusten (vgl. naar huidig recht art. 6:228 lid 2 BW) in de precontractuele fase. Belangrijk is echter dat de Hoge Raad de relatie van de onderhandelende partijen sindsdien aanduidt als een rechtsverhouding, die door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst.