Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/1.2
1.2 Toezicht en bescherming verzekerden
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS619862:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1:24 lid 1 Wft.
De Wet op het schadeverzekeringsbedrijf vormt – samen met de Wet op het levensverzekeringsbedrijf – de eerste nationale toezichtwetgeving ten aanzien van verzekeraars. Een groot deel van de bepalingen van beide wetten is uiteindelijk terecht gekomen in de Wft.
In die tijd werd het toezicht nog uitgeoefend door de Verzekeringskamer. DNB is de opvolger hiervan.
Kamerstukken II 1978/79, 15 612, nr. 3, p. 46.
Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 3, p. 2-3.
Boshuizen & Jager 2010, p. 28.
Art. 3:159a e.v. Wft.
Art. 3:149 e.v. Wft.
Art. 3:160 e.v. Wft.
Zie hierover nader hoofdstuk 5.
Zie hierover nader hoofdstuk 6.
Zie hierover nader hoofdstuk 7.
Kamerstukken II 2011/12, 33 059, nr. 3, p. 4 en 29. Een belangrijke groep betrokkenen bij een verzekeringsonderneming zijn de verzekerden.
Zie hierover nader hoofdstuk 4.
PbEG L 110.
Kamerstukken II 2003/04, 29 297, nr. 3, p. 4.
Om te voorkomen dat een verzekeraar uiteindelijk onvoldoende financiële middelen heeft om tot uitkering over te kunnen gaan, wordt prudentieel toezicht uitgeoefend door DNB. Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen1 en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.2 Dit toezicht is geregeld in hoofdstuk 3 (artt. 3:1 tot en met 3:299) van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). In dat hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen ter controle van de financiële positie van verzekeraars. Art. 3:71 lid 1 Wft bepaalt bijvoorbeeld dat een verzekeraar binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag aan DNB moet verstrekken en art. 3:72 lid 3 Wft bevat voor verzekeraars een rapportageverplichting aan DNB.
Het eerste doel van prudentieel toezicht – de soliditeit van financiële ondernemingen – lijkt misschien op het eerste gezicht gericht te zijn op het beschermen van de belangen van verzekeraars en de financiële sector als geheel. Toch zou die conclusie onjuist zijn. In de Memorie van Toelichting met betrekking tot een van de voorlopers van de Wet op het Financieel toezicht – de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf3 – staat: ‘Doel van het toezicht, dat de Verzekeringskamer4 uitoefent op het verzekeringswezen, is allereerst de belangen van de verzekerden zo goed mogelijk te beschermen tegen de mogelijkheid van niet-nakoming door de verzekeraar van de verplichtingen die deze op zich hebben genomen’.5 Ook uit de Memorie van Toelichting met betrekking tot de Wet op het levensverzekeringsbedrijf6 kan dit doel worden afgeleid. Het accent in laatstgenoemde wet ligt weliswaar op de continuïteit van de onderneming, maar het achterliggende doel is de bescherming van verzekerden.7
De bevoegdheden van DNB blijven op grond van de Wft niet beperkt tot het houden van toezicht. Hoofdstuk 3 bevat ook regelingen op grond waarvan DNB kan ingrijpen wanneer de financiële positie van een verzekeraar in gevaar komt, zoals de overdrachtsregeling,8 de opvangregeling9 en de noodregeling.10 Wordt de overdrachtsregeling toegepast, dan gaat het om een verplichte overdracht van de verzekeringsportefeuille of van de door de verzekeraar uitgegeven aandelen aan een andere verzekeraar.11 Toepassing van de opvangregeling leidt tot een verplichte herverzekering door de opvanginstelling of tot een verplichte overdracht van de verzekeringsportefeuille aan de opvanginstelling.12 De noodregeling kan bestaan uit een saneringsprocedure, een liquidatieprocedure of een combinatie van beide.13
Doordat DNB erop toeziet dat verzekeraars voldoen aan de in de wet gestelde vereisten en ingrijpt waar nodig, hebben en houden verzekerden vertrouwen in hun verzekeraar, is de gedachte. Dit draagt bij aan de tweede doelstelling van prudentieel toezicht, de stabiliteit van de financiële sector. Aan de kant van de verzekeraar is sprake van een uitgestelde prestatieplicht: de verzekeringnemer betaalt premie, terwijl een verzekeraar pas tot prestatie verplicht is wanneer de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Dat betekent dat de verzekeraar pas na verloop van tijd tot uitkering over hoeft te gaan. Een verzekeringnemer moet er wel op kunnen vertrouwen dat de verzekeraar tegen die tijd over voldoende financiële middelen beschikt om zijn deel van de verzekeringsovereenkomst na te komen. Zouden verzekerden het vertrouwen in hun verzekeraar verliezen, zou dit ertoe kunnen leiden dat verzekerden massaal besluiten om over te stappen naar een andere verzekeraar waar ze wel vertrouwen in hebben. Ook zullen er dan weinig nieuwe verzekeringsovereenkomsten worden gesloten met de verzekeraar in kwestie.
In het kader van de overdrachtsregeling, opvangregeling en noodregeling ligt de focus vooral op de individuele belangen van de onderneming en de bij die onderneming betrokkenen.14 De bijdrage aan de stabiliteit van de financiële sector kan bij die regelingen in dat opzicht worden gezien als een neveneffect. Met de inwerkingtreding van de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen (hierna te noemen: Interventiewet) in 2012 is een saneringsregeling in het leven geroepen waarbij de focus ligt op de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel: de onteigeningsregeling, waarbij de Minister van Financiën kan besluiten tot onteigening van de aandelen uitgegeven door een systeemrelevante financiële onderneming of van de vermogensbestanddelen van deze onderneming.15 De onteigeningsregeling richt zich dus rechtstreeks op de tweede doelstelling van het prudentieel toezicht.
Naast de wetgeving op het terrein van toezicht is ook afdeling 11B (artt. 213 tot en met 213kk) van de Faillissementswet (hierna: Fw) gericht op de bescherming van verzekerden. Deze afdeling is in het leven geroepen ten gevolge van de implementatie van richtlijn 2001/17/EG van 19 maart 200116 over de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen. In overweging 2 van de richtlijn staat: ‘It is in the interest of the proper functioning of the internal market and of the protection of creditors that coordinated rules are established at Community level for winding-up proceedings in respect of insurance undertakings’. Weliswaar spreekt de richtlijn over de bescherming van schuldeisers in het algemeen, maar uit de memorie van toelichting blijkt dat het hierbij in het bijzonder gaat om verzekerden.17