Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.4.0
Introductie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346770:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 januari 1975, nr. 17 564 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1975/44.
De eindbeslissing in deze zaak is gegeven in Hof 's-Gravenhage 2 juni 1975, nr. 42/75 M I, BNB 1976/60.
T.a.p., aant. 535 bij art. 9 Wet op de vermogensbelasting 1964, supplement 151, januari 1993.
HR 15 januari 1975, nr. 17 463 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1975/44.
'De bezittingen en de schulden worden in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.'
HR 15 januari 1975, nr. 17 463 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1975/44.
HR 14 april 1954, nr. 11 795, BNB 1954/182 met noot van H.J. Hellema.
HR 15 januari 1975, nr. 17 463 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1975/44.
HR 3 mei 1989, nr. 26 095, BNB 1989/ 329 met noot van J. Hoogendoorn.
Waarbij in eerste aanleg de rentabiliteitswaarde buiten beschouwing wordt gelaten. Partijen waren het er over eens voor de waardering van de aandelen de formule te hanteren (3 x intrinsieke waarde + 1 x rentabiliteitswaarde) : 4. De Hoge Raad is van oordeel dat de egalisatierekening WIR-premies tot het eigen vermogen dient te worden gerekend. De waarde van de aandelen bedraagt als gevolg daarvan (3 x f 2 029 000, zijnde de intrinsieke waarde inclusief egalisatierekening WIR-premies + 1 x f 1 131 000, zijnde de rentabiliteitswaarde) : 4 = f 1 804 500.
HR 2 januari 1992, nr. 27 092, BNB 1992/ 117 met noot van P. den Boer.
Zie bijvoorbeeld recent HR 7 december 1994, nr. 29 334, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/ 88 met noot van G. Slot. Onder bedrijfswaarde dient te worden verstaan de waarde welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten.
In gelijke zin P. den Boer in zijn annotatie onder HR 2 januari 1992, nr. 27 092, BNB 1992/117.
Het blijft overigens tobben met de waardering van het melkquotum getuige HR 6 september 1995, nr. 30 495, BNB 1996/141 met noot van E. Aardema. Hierbij gaat het om de beëindiging van een maatschap tussen vader en zoon en de vraag welke zakelijke vergoeding de zoon voor de overneming van het maatschapsaandeel van belanghebbende zou moeten betalen. Partijen gaan er van uit dat het melkquotum op nihil kan worden gewaardeerd. Het desbetreffende geschil is andermaal verwezen, zodat na Hof 's-Hertogenbosch en Hof Arnhem thans Hof 's-Gravenhage een oordeel mag vellen.
Sommige auteurs pleiten naast een tariefsverlaging van de vermogensbelasting ook voor een (object)vrijstelling van bijvoorbeeld landbouwgronden. Zie: J.N. Bouwman, Fictieve inkomen en enkele van hun gevolgen, Weekblad 1996/6213, blz. 1338; T. Blokland, Herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting, Weekblad 1996/6206, blz. 1023.
Dat art. 9, tweede lid (thans derde lid) niet alleen een waardeverhogende maar ook een waardedrukkende invloed kan hebben bewijst het hierna opgenomen arrest. Aan HR 15 januari 19751 kan het volgende worden ontleend:
`Art. 9, lid 2, herhaalt voor een bijzonder geval slechts wat ingevolge art. 9, lid 1, als algemene regel geldt, waaruit volgt dat eerstgenoemde bepaling steeds van toepassing is wanneer bezittingen behoren tot wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd, ook indien deze omstandigheid een factor is, die de waarde van deze bezittingen verlaagt.
Dit laatste doet zich hier volgens belanghebbende voor, wiens standpunt daarop neerkomt dat, nu de onderhavige onderneming een broodwinning vormt voor 25 medewerkers, het uit maatschappelijke overwegingen niet verantwoord is de onderneming te liquideren, hoewel de bedrijfsresultaten daartoe aanleiding zouden geven.
Belanghebbende doet derhalve een beroep op een objectieve waardebepalende factor, omdat zijn standpunt — indien het juist mocht zijn en in overeenstemming met hetgeen naar maatschappelijke opvattingen van een ondernemer in de positie van belanghebbende mag worden verwacht — ertoe kan leiden dat de tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende goederen ingevolge artikel 9 in aanmerking behoren te worden genomen naar een waarde die lager is dan de verkoopprijs welke bij liquidatie van die onderneming voor die goederen zou kunnen worden bedongen' 2
Dat waardering met inachtneming van het functionele verband niet alleen kan leiden tot een hogere bedrijfswaarde maar ook tot een lagere kan volgens Schaap3 uit BNB 1975/444 worden afgeleid. Tevens laat dit arrest zien dat art. 9, tweede lid (sinds 1990: derde lid) niet méér doet dan de regel van art. 9, eerste lid5 te bevestigen. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer moet met alle van belang zijnde economische factoren rekening worden gehouden, daaronder valt ook het zogenaamde functionele verband. In zoverre ontbeert art. 9, tweede lid (thans derde lid) zelfstandige betekenis en zou de conclusie gerechtvaardigd zijn dat voor de vermogensbelasting de begrippen 'waarde in het economische verkeer' en 'bedrijfswaarde' goeddeels met elkaar te vereenzelvigen zijn.
Trouwens, BNB 1975/446 maakt ook duidelijk dat een waardering die door de liquidatiewaarde 'heen zakt', in beginsel mogelijk is. Het gaat in dit geval wel om een zeer specifieke situatie die zich minder snel zal herhalen. Uit maatschappelijke overwegingen was het in casu namelijk niet verantwoord de onderneming te liquideren, ondanks het feit dat de bedrijfsresultaten daartoe aanleiding gaven.
Anderzijds aanvaardt de Hoge Raad dat de gebruiksmogelijkheden van een zaak door maatschappelijke opvattingen kunnen worden ingeperkt hetgeen een lagere waarde tot gevolg heeft. In dit verband zij gewezen op het zogenaamde 'kleimodderschip-arrest'7, waarin de mogelijkheid, het schip voor een goede prijs te verkopen onbenut bleef, omdat belanghebbende als rijkste vrouw van het dorp, maatschappelijk onjuist zou handelen indien zij haar oude zetschipper zijn broodwinning zou ontnemen. Ons hoogste rechtscollege aanvaardde deze waardedrukkende factor.
Conclusie: BNB 1975/448 vertegenwoordigt een uitzonderingssituatie en er is van een waardedruk (als gevolg van een waardering binnen het functionele verband) in normale gevallen geen sprake. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de bewijslast van deze lagere waardering bij belanghebbende berust want deze beroept zich immers op een `niet-normale' situatie. BNB 1975/449 maakt daarnaast duidelijk dat art. 9, tweede lid een waardedrukkende invloed kan hebben, want dit artikellid houdt rekening met de omstandigheid dat zaken tot een eenheid behoren (of anders gezegd tot elkaar in een functionele betrekking staan).
In HR 3 mei 198910 wordt door Hof Amsterdam bij het bepalen van de intrinsieke waarde van een aandelenpakket (100%) in een besloten vennootschap een relatie gelegd met de bedrijfswaarde van de door de BV geëxploiteerde onderneming. Het Hof overweegt daarbij:
`De intrinsieke waarde van de aandelen geeft weer de grootte van het in de vennootschap werkzame vermogen. Daarbij moet worden uitgegaan van de gedachte dat het bedrijf van de vennootschap zal worden voortgezet, zodat de verschillende vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd op de bedrijfswaarde (cursivering/GM), dat is de waarde die zij hebben voor een "going concern" '. De egalisatiereserve WIR is niet van invloed op de bedrijfswaarde. En verder: 'Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfswaarde van die bedrijfsmiddelen op de peildatum lager was dan de kostprijs verminderd met de tot dat tijdstip toegepaste afschrijvingen.' Gevolg: de aandelen mogen in beginsel niet lager dan de zichtbare intrinsieke waarde worden gewaardeerd11 omdat belanghebbende een lagere bedrijfswaarde van de activa en passiva van de onderneming niet aannemelijk heeft kunnen maken.
De bedrijfswaardeproblematiek bij de vermogensbelasting doet zich dus niet alleen op een directe wijze voor (bij de waardering van bedrijfsmiddelen) maar ook op een indirecte wijze (bij de waardering van aandelen in een naamloze of besloten vennootschap). In dit laatste geval moet ter bepaling van de intrinsieke waarde van de aandelen ook de waarde van de achterliggende, in de vennootschap aanwezige bedrijfsmiddelen worden vastgesteld.
Een beschouwing omtrent de aard van het begrip `bedrijfswaarde' in de vermogensbelasting in relatie tot agrarische gebruikte bedrijfsmiddelen kan in dit hoofdstuk niet achterwege blijven. Een arrest van de Hoge Raad van 2 januari 199212 is in deze leerzaam en interessant. In deze procedure gaat het om de waardering van een melkquotum voor de vermogensbelasting.
Casus
Belanghebbende verkrijgt bij notariële akte van 9 december 1986 samen met zijn vader (beiden exploiteren in maatschapsverband een veehouderij) een perceel weiland inclusief melkquotum voor f 375 000. Van voormeld bedrag wordt f 173 250 aangemerkt als koopsom voor de grond en f 201 750 als koopsom voor het quotum. In 1986 wordt op het quotum f 7215 afgeschreven terwijl van de boekwaarde per 1 januari 1987 (ingevolge het maatschapscontract) f 142 132 toekomt aan belanghebbende.
Voor de vermogensbelasting wenst belanghebbende het melkquotum op nihil te waarderen en niet op voormelde boekwaarde. Voor deze handelwijze voert belanghebbende een veelheid van argumenten aan. De belangrijksten zijn:
de melkquotering is slechts een tijdelijke maatregel van de communautaire overheid.
het melkquotum pleegt in het economische verkeer te worden beschouwd als een eenheid met de grond waarmee het samenhangt.
het quotum voegt niets toe aan de (productie)waarde van het 'lopende' bedrijf.
(Dit laatste argument vindt belanghebbende overigens het sterkste wegen.)
Ons hoogste rechtscollege wijst belanghebbendes argumentatie af en overweegt: 'Voor tot een ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen, zoals het onderhavige melkquotum, betekent dit dat het gaat om de waarde die bij vervreemding van de gehele onderneming aan dat vermogensbestanddeel zou worden toegekend door een verkrijger die de onderneming zou voortzetten.'
Conclusie: Het begrip bedrijfswaarde wordt dan wel niet daadwerkelijk genoemd in dit arrest, maar de inhoud van het hiervoor overwogene komt overeen met de klassieke bedrijfswaardedefinitie van de Hoge Raad13. De door de Hoge Raad aangegeven waarderingsmethode kan vervolgens weer gelijk gesteld worden met een waardering going concern.
Belanghebbende heeft in cassatie dan wel veel argumenten aangevoerd ter staving van een waardering van het quotum op nihil, maar niet waar het in feite om zou gaan, namelijk dat door een slecht rendement van zijn onderneming als geheel de koopsom van het quotum niet meer in de totale waarde daarvan kan worden teruggevonden14. Dit ligt natuurlijk ook niet voor de hand aangezien het melkquotum in de loop van het jaar 1986 verworven is terwijl in geschil is de waardering per 1 januari 1987. Eigenlijk wijst alles erop dat belanghebbende kennelijk om zakelijke redenen de door hem betaalde prijs voor de verwerving van het quotum over heeft gehad en er derhalve van een miskoop geen sprake kan zijn. Bovendien is een melkquotum door de quoteringsregeling een schaarsteproduct zodat de betaalde prijs tevens een weerslag is van de schaarsteverhoudingen. In die zin is het dan ook begrijpelijk dat voor de vermogensbelasting de waarde van een melkquotum15 ten minste op de boekwaarde moet worden gesteld. 16