Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.3.3:6.5.3.3 Roerende zaken en opstallen
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.3.3
6.5.3.3 Roerende zaken en opstallen
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297973:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis), bevestigd in HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot).
Art. 6:174 kent geen vergelijkbare kanaliseringsregeling: hier is samenloop met art. 6:185 e.v. derhalve wel mogelijk, zie reeds par. 3.5.3.2.
Vgl. HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/Planet c.s.), waarover par. 7.6.5.1.
Oldenhuis en Kolder 2012, nr. 3.6.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor wat betreft roerende zaken (art. 6:173) en opstallen (art. 6:174) is vooral het ‘gebreksvereiste’ van belang. Ter invulling daarvan fungeren op grond van de Wilnis-doctrine gezichtspunten als beleidsvrijheid en (beperkte) financiële middelen reeds als een zekere rem op aansprakelijkheid van de overheid.1 Afhankelijk van ‘de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen’, is de overheidsaansprakelijkheid zodoende steeds op de gewenste maat te snijden. Het op deze genuanceerde wijze begrenzen van de aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 6:173 of 174 valt mijns inziens te prefereren boven het grove(re) middel van het categorisch uitsluiten van de (klassieke) overheid van het ‘bedrijfsbegrip’ van art. 6:181. Voor wat betreft roerende zaken valt in dit verband nog te wijzen op lid 2 van art. 6:173 jo. art. 6:185 lid 1 sub b, dat in bepaalde gevallen de aansprakelijkheid kanaliseert naar de producent. Indien het schadeveroorzakende gebrek al bestond bij het in het verkeer brengen van de zaak door de producent, rust daarvoor geen kwalitatieve aansprakelijkheid op de bezitter (art. 6:173) of ‘bedrijfsmatige’ gebruiker (art. 6:181), dus ook niet op de overheid die als ‘bedrijfsmatige’ gebruiker ex art. 6:181 jo. 6:173 wordt aangesproken.2 Specifiek voor opstallen is nog relevant de tenzij-clausule in lid 1 van art. 6:181. In geval van schade door een gebrekkige opstal die door een ander dan de eigenaar/ bezitter wordt gebruikt, zal het veelvuldig voorkomen dat ‘het bestaan of ontstaan van het gebrek’3 niet in verband staat met de activiteiten van de ‘toevallige’ gebruiker van deze opstal.4 De aansprakelijkheid van art. 6:174 rust dan niet op de ‘bedrijfsmatige’ gebruiker van de opstal – en dus ook niet op de op deze grondslag aangesproken overheid – maar op de bezitter. Kortom, de overheid kan mijns inziens ‘gewoon’ onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 worden geschaard ingeval zij zich in het kader van haar taakvervulling bedient van de in art. 6:173 en 174 bedoelde roerende zaken en opstallen. De (overige) toepassingsvoorwaarden van de art. 6:173, 174 en 181 bieden reeds de nodige waarborgen met het oog op een eventueel te vergaande overheidsaansprakelijkheid.