De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.5.3.2:12.5.3.2 Wenselijkheid
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.5.3.2
12.5.3.2 Wenselijkheid
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370021:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 132.
§ 36 WpÜG, waarover uitgebreid Faden 2007, p. 153 e.v.
Vgl. Nieuwe Weme 2006, p. 14-15 en Nieuwe Weme 2004, p. 163-164, die een vrijstelling van de biedplicht bepleitte voor een beperkte groep van aandeelhouders ten titel van beheer (onder meer AK’s en “gereglementeerde” partijen zoals bewaarders en custodians).
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 164.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sommigen pleiten ervoor om in de Overnamerichtlijn weliswaar disaggregation toe te staan, doch omwille van de hanteerbaarheid in de praktijk enkel de bestaande disaggregation- gevallen uit de Transparantierichtlijn over te nemen.1 Hoewel daarvoor zeker wat te zeggen valt, zal dit argument van de praktische hanteerbaarheid moeten worden afgewogen tegen in de praktijk levende behoefte aan een ruimere uitzonderingsmogelijkheid, zeker indien – zoals door mij bepleit – de thans bestaande vermoedens van onderling overleg zouden worden uitgebreid (zie § 11.4.2). In Duitsland kent men een disaggregation-regel, die ertoe strekt dat toezichthouder BaFin op aanvraag kan beslissen dat niet meetellen voor de bieddrempel stemrechten die zijn verworven als gevolg van erfrechtelijke en vergelijkbare familierechtelijke transacties, omzetting en herstructureringen binnen een groep.2
In Nederland zou de praktijk vooral gebaat zijn bij de mogelijkheid om aandelen bij een derde te stallen, zonder hierover zeggenschap te kunnen uitoefenen, maar met de mogelijkheid om afspraken te maken over vervreemding en andere kwesties van vermogensrechtelijke aard. Een situatie waarin behoefte kan bestaan aan een dergelijke stallingsmogelijkheid doet zich voor indien een partij abusievelijk de 30%- drempel overschrijdt, maar zijn belang wil afbouwen met behoud van de economische eigendom daarvan. Onder de huidige voorwaarden voor gratie, dat wil zeggen: het afbouwen van het zeggenschapsbelang binnen de daarvoor gestelde termijn (§ 15.2.3), is dat niet geheel risicoloos mogelijk. Ook kan worden gedacht aan situaties waarin partijen niet nodeloos het risico willen lopen van onderling overleg te worden “beschuldigd”. Denk bijvoorbeeld aan stemrechten die partijen welbewust buiten het samenwerkingsverband willen houden (§ 12.2.4.4).
In de literatuur is al eerder gepleit voor een stallings-faciliteit, zij het in de vorm van een vrijstelling.3 Gelet op het absolutere karakter daarvan, zou ik daar geen voorstander van zijn, tenzij hieraan strenge voorwaarden worden gesteld. Zo zou de reikwijdte van een dergelijke vrijstelling kunnen worden beperkt tot bepaalde Wftgereglementeerde structuren.4 Maar, dat zou weer ten koste gaan van de juist in de praktijk wenselijke pluriforme toepassingsmogelijkheden.