Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.5.1.2
6.5.1.2 Afdwingen van een buitensporige vergoeding
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955531:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 3.4.1.2.
Het gaat hier om een ruime interpretatie van de term. Onder een enge uitleg vallen onder het begrip alleen gevallen waarin de ‘lock-in’ plaatsvindt voorafgaand aan de inbreuk, de verwezenlijking van verzonken kosten of de adoptie van een standaard; Siebrasse 2019, p. 254-255.
Zie par. 3.4.1.3.
Merges 2011, p. 167.
HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [56].
Par. 2.4.2.1 sub (i).
Zie voor een voorbeeld waarin de eiser het gevoelige karakter van de beschermde werken (erotische of pornografische films) inzette als drukmiddel om de gedaagde te bewegen akkoord te gaan met het door haar gedane schikkingsvoorstel; Concl. A-G Szpúnar, ECLI:EU:C:2020:1063, pt. 73; HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:2021:492 (Mircom/Telenet), rov. 95.
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [56].
Siebrasse e.a. 2019, p. 148-149.
Par. 6.5.1.1 sub (ii).
Daarmee doel ik op gevallen waarin de inbreukmaker de inbreuk eenvoudig zou kunnen beëindigen of zou kunnen overstappen naar een niet-inbreukmakend alternatief.
Vgl. HvJ EU 25 januari 2017, C-367/15, ECLI:EU:C:2017:36 (Poolse Filmmakers), rov. 25.
Van onevenredigheid kan ook sprake zijn als de rechthebbende de dreiging van een verbod gebruikt om de inbreukmaker te bewegen een licentie af te nemen onder door hem opgelegde commerciële voorwaarden. Het feit dat de rechthebbende primair geïnteresseerd is in het incasseren van licentievergoedingen, doet op zichzelf niet af aan het recht op een verbod.1 De rechthebbende is in beginsel eveneens vrij om een buitensporige licentievergoeding te vragen. Dit kan echter anders zijn als de rechthebbende de dreiging van een verbod inzet om een vergoeding af te dwingen die de gedaagde onder normale omstandigheden niet zou betalen (hold-up).2
(i) De nadelige gevolgen van een verbod als drukmiddel
Het mechanisme om een buitensporige vergoeding af te dwingen, kan onder meer verband houden met de gevolgen van het verbod zelf. Zoals besproken, kan een verbod op het gebruik van een ondergeschikte component in sommige gevallen leiden tot een algehele productiestop. Als er voor de inbreukmaker geen reële mogelijkheden zijn om de inbreuk te beëindigen of over te stappen op een alternatief, bevindt de rechthebbende zich in een machtspositie. De rationele inbreukmaker zal immers bereid zijn iedere licentievergoeding te betalen die lager is dan de kosten die zijn verbonden aan de beëindiging van de inbreuk.
Een uitzondering die deze regel bevestigt, doet zich voor als de vergoeding betrekking heeft op een SEP. Doordat de SEP-houder gebonden is aan FRAND-voorwaarden, kan hij de dreiging van een verbod niet gebruiken om een buitensporige vergoeding af te dwingen (een dergelijke vergoeding is immers niet FRAND).3
Het inzetten van de dreiging van een verbod is alleen ongerechtvaardigd als er voor de gedaagde geen andere mogelijkheden voorhanden zijn dan een voortzetting van de inbreuk. Alleen dan kan de rechthebbende een licentievergoeding afdwingen die hij onder normale omstandigheden niet zou ontvangen.4Als de inbreukmaker de inbreuk eenvoudig kan beëindigen of tegen redelijke kosten kan overstappen op een reëel alternatief, kan de rechthebbende de dreiging een verbod immers niet inzetten om een vergoeding af te dwingen die ver boven de marktprijs ligt. De nadelige effecten van het verbod zijn in zulke gevallen vooral gelegen in het feit dat de inbreukmaker het betreffende recht niet goedkoper kan exploiteren dan derden die een licentie willen afnemen.5 Het spreekt vanzelf dat de evenredigheidstoets niet bedoeld is om deze belangen te beschermen.
De rechthebbende kan ook andere pressiemiddelen inzetten om een buitensporige vergoeding af te dwingen. Het komt in de praktijk bijvoorbeeld regelmatig voor dat de rechthebbende de kosten van een eventueel geding inzet om een buitensporige vergoeding af te dwingen.6 Een ander voorbeeld is het geval waarin de rechthebbende de dreigende openbaarmaking van gevoelige persoonsgegevens inzet om de inbreukmaker te bewegen de geëiste vergoeding te betalen.7 Omdat dit soort gevallen geen verband houden met de beëindiging van inbreuk, kunnen zij in mijn ogen niet worden meegenomen bij de evenredigheidstoets. Dit neemt niet weg dat er in zulke gevallen aanleiding kan bestaan voor andersoortige correcties. Zo kan een verbod worden afgewezen op grond van rechtsmisbruik en kan de rechter kiezen voor afwijzing of matiging van een gevorderde schadevergoeding en/of een vergoeding van proceskosten.
(ii) (On)redelijkheid van het licentieaanbod
Zoals besproken, is het voor de toewijsbaarheid van een verbod irrelevant of de rechthebbende een exclusiviteits- of een licentiebelang nastreeft. Dit beginsel van gelijke behandeling impliceert dat voor een geslaagd beroep op de evenredigheidstoets in ‘licentiezaken’ dezelfde maatstaf geldt als in ‘stakingszaken’.8 Als het afdwingen van exclusiviteit door middel van een verbod evenredig is, geldt dat immers ook als de inbreukmaker een ‘afkoopmogelijkheid’ heeft. Dit betekent dat de rechter allereerst moet vaststellen of het beschermde voortbrengsel ondergeschikt is en of er reële alternatieven voorhanden zijn.9 De invulling van deze beoordeling kwam hiervoor reeds aan de orde.10
Een aspect dat echter nog niet aan de orde is gekomen, is welk gewicht moet worden toegekend aan het feit dat de rechthebbende aan de inbreukmaker een aanvaardbaar licentieaanbod heeft gedaan. Anders dan bij stakingszaken ontkomt de rechter in licentiezaken dus niet aan een economische waardering. Hij zal immers moeten vaststellen of de gevraagde vergoeding in een redelijke verhouding staat tot de inbreuk. Een exacte definitie van wat redelijk is, kan vanzelfsprekend niet worden gegeven. Van de rechter hoeft wat dat betreft ook geen extreme precisie te worden verwacht. Waar het om gaat, is of een geïnteresseerde marktpartij de vergoeding zou betalen onder normale omstandigheden.11 De rechter kan in dat verband aansluiten bij de gebruikelijke licentietarieven uit een specifieke branche of industrie. Daarbij geldt dat niet ieder aanbod dat een gebruikelijke vergoeding overstijgt, ook noodzakelijkerwijs ontoelaatbaar is.12