Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.7
6.7 Art. 6:181 ziet op de ‘professional’
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301657:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld biedt Rb. Utrecht 20 oktober 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1670 (Gebrekkige kade), waarin een door X en Y op grond van een bruikleenovereenkomst gebruikte kade van de gemeente Breda door een gebrek schade berokkende aan een derde. Deze laatste sprak X en Y tevergeefs ex art. 6:181 jo. 174 tot schadevergoeding aan omdat het ging om een gebruik in de privésfeer. De rechtbank overwoog: ‘Vast staat dat [gedaagden] de kade hebben gebruikt voor de bouw van hun betonbakken voor de later te bouwen woonarken van de gezinnen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]. Het lijdt dan ook geen twijfel dat het om werkzaamheden ten behoeve van privé doeleinden ging. Er is niet gebleken van enige bedrijfsmatige activiteiten.’ Een voorbeeld biedt ook de bespreking van Keirse van art. 6:181 (Spier e.a. 2015/130), waarin een particulier wordt opgevoerd die van een doe-het-zelf winkel een klopboor huurt, waarna tijdens het gebruik een derde schade lijdt door een defect in het apparaat. Ik breng hier ook de opvatting van Tjong Tjin Tai in herinnering, die in zijn annotatie onder het Loretta-arrest (NJ 2011/405, sub 3d) opperde dat ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 tegenover ‘consument’ of ‘particulier’ staat.
Wel nam de rechtbank, mede gelet op art. 6:101, 90% aansprakelijkheid van de vereniging aan op basis van de subsidiaire grondslag van art. 6:162.
De maatstaf ‘beroep of bedrijf’ in art. 7:658 lid 4 beoogt eveneens (vooral) de particuliere sfeer van aansprakelijkheid uit te sluiten: in de totstandkomingsgeschiedenis werd uitvoerig stilgestaan bij de particuliere hulp in de huishouding, die werd geacht buiten het bereik te vallen van lid 4 van art. 7:658. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26257, 12, p. 14, 18; Kamerstukken I 1998/99, 26257, 110b, p. 6-7. In lijn hiermee ligt HR 15 december 2017, RvdW 2018/30 (Parochie/X) , waaruit een ruime uitleg van het bedrijfsbegrip van art. 7:658 lid 4 volgt en duidelijk wordt dat (vooral) privésituaties buiten deze aansprakelijkheid vallen.
Zie in deze zin ook de annotaties van Schneider, JIN 2013/44 en Barentsen JAR 2013/87. In dit perspectief past ook Rb. Leeuwarden 27 juli 2011, ECLI:NL:RBLEE:2011:BR3449 (Dagbesteding), waarin een (professionele) instelling die dagbesteding aan mensen met een verstandelijke handicap aanbood (toch) niet ex lid 4 van art. 7:658 kon worden aangesproken door een van haar cliënten die binnen de instelling seksueel was misbruikt.
Vgl. voor wat betreft dit laatste ook de noot van Barentsen JAR 2013/87 onder de Scouting-zaak omtrent de reikwijdte van het bedrijfsbegrip van art. 7:658 lid 4: ‘Wanneer een club toch met een zekere mate van professionaliteit structureel activiteiten ontplooit kan deze bepaling van toepassing zijn, zeker als die club daarmee inkomsten genereert. Te denken valt aan een door clubvrijwilligers gerunde sportkantine die in de derde helft een forse omzet draait.’
Zie par. 4.6.5.
Vgl. Rb. Utrecht 20 oktober 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1670 (Gebrekkige kade), waarin de ex art. 6:181 jo. 174 aangesproken gebruikers niet werden geacht een ‘bedrijf’ uit te oefenen (maar in privé te handelen) waardoor de gemeente Breda als professionele bezitter ex art. 6:174 met de aansprakelijkheid was belast.
Dit lijkt op gespannen voet te staan met het Loretta-arrest, nu daarin werd geoordeeld dat ter beantwoording van de vraag op wie – bezitter of gebruiker – de aansprakelijkheid ex art. 6:179 rust i.) niet meeweegt wie jegens de benadeelde eventueel ex art. 6:162 aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, en ii.) niet van belang is of de bedrijfsmatige gebruiker bezitter of detentor van het dier is. In mijn ogen kan dus wel van belang zijn of de bedrijfsmatige gebruiker bezitter is, want als hij dat niet is is bij niet-toepassing van art. 6:181 een ander ex art. 6:179 aansprakelijk. En bij de keuze tussen de bezitter of gebruiker zou van belang kunnen zijn wie dát is. Het Loretta-arrest laat hiervoor mijns inziens ruimte, nu de Hoge Raad gezien de insteek van de cassatiemiddelen naar mijn idee enkel heeft willen uitdrukken dat iemand als gebruiker ex art. 6:181 aansprakelijk kan zijn zónder (tevens) bezitter van de zaak te zijn.
Een analyse van de wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak over de op grond van art. 6:181 aansprakelijke persoon leert dat onder het bedrijfsbegrip in het licht van de strekking van deze bepaling zelf niet alleen degene kan worden begrepen die een ‘typisch’ of traditioneel bedrijf uitoefent. Ook het (vrije) beroep, de (klassieke) overheid en andersoortige ‘organisaties’ als ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, kerkelijke instellingen, stichtingen en verenigingen kunnen worden geacht een ‘bedrijf’ in de zin van art. 6:181 uit te oefenen. Op zoek naar de precieze grenzen van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 én een algemene maatstaf ter beoordeling van het ‘bedrijfsmatige’ karakter van voorkomende gebruikers van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken, is de aansprakelijke persoon op grond van art. 6:170 (ondergeschikten), afd. 6.3.3 BW (gebrekkige producten) en art. 6:175 (gevaarlijke stoffen) tegen het licht gehouden. Bij deze drie kwalitatieve aansprakelijkheden, die ieder op hun eigen wijze verwant zijn aan art. 6:181, dient zich steeds dezelfde hoedanigheid van de aansprakelijke persoon aan, te weten de ‘professional’. Gelet op de strekking van art. 6:181 zelf en de inbedding van deze bepaling in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht, dient (ook) onder het ‘bedrijfsbegrip’ van art. 6:181 iedere ‘professional’ te worden begrepen. Daarmee valt alleen het gebruik van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken in de particuliere c.q. privésfeer dan wel als ‘consument’ buiten het toepassingsbereik van art. 6:181.1 Wanneer een in art. 6:181 bedoelde professionele gebruiker ontbreekt, doet de aansprakelijkheid van de (particuliere) bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 dienst als vangnet.
Als wordt aangenomen dat ‘bedrijf’ in art. 6:181 ziet op de ‘professional’, is ook de door ‘beroep of bedrijf’ in lid 3 van art. 6:181 veroorzaakte tekstuele inconsistentie binnen art. 6:181 gladgestreken. Voorts worden zodoende ongerijmdheden voorkomen in geval van het ter beschikking stellen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in lid 3 van art. 6:181: degene door wie (‘bedrijf’) en aan wie (‘beroep of bedrijf’) de stof ter beschikking wordt gesteld, heeft dan eveneens betrekking op personen met dezelfde hoedanigheid.
Wanneer wordt aangenomen dat iedere ‘professional’ als de ex art. 6:181 aansprakelijke heeft te gelden, zal in de meeste praktijkgevallen over de voor de toepassing van deze aansprakelijkheid vereiste hoedanigheid van de betreffende gebruiker – een professional of niet? – maar weinig discussie mogelijk zijn. Niettemin kunnen zich grensgevallen voordoen, zoals in geval van ‘organisaties’ waarvan de professionaliteit niet sprekend is c.q. waarvan de activiteiten aanschuren tegen de privésfeer. Denk aan kleinschalige activiteiten in georganiseerd verband die worden gekenmerkt door sociale verhoudingen en een gezelligheidskarakter. Rb. Utrecht 14 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BZ1412 (Scouting) draaide om een lid van een scoutingvereniging dat ten val kwam uit een op het scoutingterrein zelfgebouwde kabelbaan toen de daarbij gebruikte katrol plotseling losschoot. De vereniging bestond uit ongeveer 50 à 60 vrijwillige leden, inclusief het bestuur. Het bestuur van ongeveer 10 personen bestond voornamelijk uit ouders van de scoutingleden. De vereniging had een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Het gelaedeerde lid sprak de scoutingvereniging tot schadevergoeding primair aan op grond van art. 7:658 lid 4. Een vraag die naar aanleiding daarvan rees, was of de vereniging een ‘beroep of bedrijf’ in de zin van deze bepaling uitoefende. De rechtbank beantwoordde deze vraag ontkennend, omdat de activiteiten van de scoutingvereniging haars inziens niet zijn gericht op economisch profijt en zij zich uitsluitend bezighoudt met vrijetijdsbesteding waarvan de inhoud geheel door vrijwilligers als leden wordt bepaald en die ook door hen wordt geor-ganiseerd. Ook was er volgens de rechtbank geen sprake van een gezagsverhouding tussen de vereniging en haar leden op vergelijkbare wijze als in de verhouding tussen een werkgever en werknemer. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet ‘ieder georganiseerd verband’ onder lid 4 van art. 7:658 worden gebracht.2
Stel nu dat de scoutingvereniging op grond van art. 6:181 jo. 173 zou zijn aangesproken vanwege de tijdens het afzeilen gebrekkig functionerende katrol. Zou de vereniging dan hebben voldaan aan het ‘bedrijfsbegrip’ van art. 6:181? Het komt er dan op aan of de vereniging als (voldoende) ‘professioneel’ heeft te gelden, dan wel dat haar activiteiten geacht moeten worden in de particuliere sfeer plaats te vinden. In de richting van een voldoende mate van ‘professionaliteit’ wijzen naar mijn idee dat de scoutingvereniging een niet gering aantal leden had (50 tot 60), een ‘tienkoppig’ bestuur kende, beschikte over een eigen terrein, een aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten, naar buiten toe als een eenheid optrad (gemeenschappelijke naam), een hiërarchische structuur had (scouts, stam, bestuursleden) en een zekere continuïteit kende voor wat betreft het ontplooien van activiteiten. Relevant is ook dat de rechtbank omtrent de subsidiaire grondslag van art. 6:162 aannam dat de vereniging een zorgplicht voor haar leden had in geval van het (laten) ondernemen/organiseren van risicovolle (buiten)activiteiten, waaronder het maken van de betreffende afzeilinrichting: een zekere gezagsverhouding was dus weldegelijk aan de orde. Al met al lijkt de vereniging een (voldoende) professionele deelnemer aan het maatschappelijk verkeer; van activiteiten in de particuliere c.q. privésfeer is geen sprake. Dit betekent dat sprake is van een ‘bedrijfsmatig’ karakter in de zin van art. 6:181 jo. 173. Dat lid 4 van art. 7:658 door de rechtbank (toch) niet toepasselijk werd geacht bij gebreke van de uitoefening van een ‘beroep of bedrijf’, moet mijns inziens ook niet zozeer gezocht worden in het ontbreken van ‘voldoende professionaliteit’ zijdens de vereniging,3 maar veeleer in het feit dat de verhouding tussen het gelaedeerde lid en de scoutingvereniging het vereiste arbeidsrechtelijke karakter ontbeerde.4
Of sprake is van de voor toepassing van art. 6:181 voldoende mate van ‘professionaliteit’ zal steeds van alle omstandigheden van het geval afhangen. In de meerderheid der gevallen zal het echter al gauw duidelijk zijn of sprake is van activiteiten in de professionele of juist particuliere c.q. privésfeer. In niet- sprekende gevallen kan bij de afbakening betekenis toekomen aan de theoretische argumenten achter het bedrijfsbegrip van art. 6:181, zoals gevaarverhoging, opspoorbaarheid, de eenheidsgedachte, de mogelijkheid tot schadespreiding, de gebruikelijkheid en mogelijkheid van het afsluiten van een verzekering en de profijtgedachte.5 Ook kan in twijfelgevallen betekenis toekomen aan gezichtspunten als de aard van de ontplooide activiteiten, of deze eenmalig dan wel terugkerend/structureel plaatsvinden, de organisatiestructuur van de aangesprokene en eventuele gezagsverhoudingen, of sprake is van (reële) investeringen, of de betreffende ‘organisatie’ de beschikking heeft over een eigen pand, eigen terrein en/ of eigen hulpmiddelen. Voorts sluit ik niet uit dat ter toepassing van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 in grensgevallen relevant kan zijn op wie de aansprakelijkheid ex art. 6:173, 174 en 179 rust wanneer art. 6:181 niet zou worden toegepast. Betreft het ‘vangnet’ een (echte) ‘particulier’ dan zou dat de neiging kunnen opwekken art. 6:181 (toch maar) toepasselijk te achten, terwijl in geval van ‘teruggevallen’ op een ‘professional’ (eerder) van toepasselijkheid van art. 6:181 afgezien zou kunnen worden. Binnen het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 gaat namelijk steeds een ‘absorberende’ werking uit van degene die een ‘bedrijf’ uitoefent (de professional),6 hetgeen ook de in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde bezitter kan zijn.7 Denk aan een ongeluk met een katrol bij een vereniging zoals de voornoemde scoutingclub, zij het dat de vereniging nu minder professioneel is georganiseerd en werkelijk aanschuurt tegen ‘de privésfeer’. Stel dat in een dergelijk geval van niet- toepasselijkheid van art. 6:181 jo. 173 op de vereniging, op grond van art. 6:173 als bezitter een (andere) ‘particulier’ ofwel een (echte) professional – bijvoorbeeld een outdooractiviteitenbedrijf dat de (gebrekkige) katrol voor het afzeilen ter beschikking had gesteld – aansprakelijk zou zijn. Wellicht dat, als het erop aankomt, in het laatste geval minder moeite bestaat art. 6:181 niet op de scoutingvereniging toe te passen dan in het eerste geval.8 Uitgangspunt is in ieder geval dat het bedrijfs begrip van art. 6:181 een ruime uitleg toekomt, waaraan derhalve niet snel niet zal zijn voldaan.