Het verzoekschrift is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 december 2010.
HR, 13-05-2011, nr. 10/05600
ECLI:NL:HR:2011:BQ1128
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-05-2011
- Zaaknummer
10/05600
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BQ1128
- Roepnaam
Agrenco/Credit Suisse c.s.
Agrenco Netherlands/Credit Suisse Brazil
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ1128, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑05‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ1128
ECLI:NL:PHR:2011:BQ1128, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑03‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ1128
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑05‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Faillissementsrecht. Ontvankelijkheid van en bevoegdheid verzoek tot intrekking van voorlopige surseance onder gelijktijdige faillietverklaring (art. 242 lid 1 F.)?
13 mei 2011
Eerste Kamer1
0/05600
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
AGRENCO NETHERLANDS N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
1. de rechtspersoon naar het recht van de Bahamas CREDIT SUISSE BRAZIL (BAHAMAS) LIMITED,
2. de rechtspersoon naar Zwitsers recht CREDIT SUISSE CAYMAN BRANCH,
3. de rechtspersoon naar Frans recht NATIXIS S.A.,
gevestigd te Parijs, Frankrijk,
4. de rechtspersoon naar Duits recht HSH NORDBANK A.G., New York Branch,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
5. de rechtspersoon naar het recht van de staat New York, Verenigde Staten van Amerika ROSEMOUNT GLOBAL TRADE FINANCE FUND L.P.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Agrenco en Credit Suisse c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met surséancenummer 10.0044-S en faillissementsnummer 10.0839-F van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2010;
b. het arrest in de zaak 200.078.171/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 21 december 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Agrenco beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Credit Suisse c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor Agrenco toegelicht door haar advocaat en voor Credit Suisse c.s. door mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 mei 2011.
Conclusie 11‑03‑2011
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
Agrenco Netherlands N.V.
verzoekster tot cassatie
(hierna: Agrenco)
tegen
- 1.
Credit Suisse Brazil (Bahamas) Ltd.
- 2.
Credit Suisse Cayman Branch
- 3.
Natixis S.A.
- 4.
HSH Nordbank A.G.
- 5.
Rosemount Global Trade Finance Fund L.P.
verweerders in cassatie,
(hierna: Credit Suisse c.s.)
Verkorte conclusie
1
Bij beschikking van de rechtbank van 24 augustus 2010 werd aan Agrenco voorlopig surseance van betaling verleend. Bij verzoekschrift van 15 november 2010 hebben Credit Suisse c.s. verzocht de surseance in te trekken onder gelijktijdige faillietverklaring van Agrenco. De rechtbank Amsterdam heeft het verzoek tot intrekking bij vonnis van 26 november 2010 toegewezen en Agrenco in staat van faillissement verklaard.
2
Agrenco is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft de zaak ter zitting van 14 december 2010 behandeld. Bij arrest van 21 december 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3
Tegen dit arrest heeft Agrenco tijdig1. beroep in cassatie ingesteld.
4
Het verzoekschrift bevat twee cassatiemiddelen. Middel 1 is gericht tegen de rov. 2.10 tot en met 2.15 waarin het hof heeft overwogen dat Credit Suisse c.s. ontvankelijk zijn in het verzoek tot intrekking van de voorlopige surseance onder gelijktijdige faillietverklaring van Agrenco. De klacht onder 14 van het beroepschrift voert aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het beroep op niet-ontvankelijkheid aan de door het hof genoemde omstandigheid dat aan Credit Suisse c.s. alle zekerheden zijn verstrekt, ‘geen betekenis toekomt’.
5
Art. 242 Fw bepaalt dat intrekking kan geschieden op voordracht van de rechter-commissaris, ambtshalve door de rechtbank, op verzoek van de bewindvoerders of op verzoek van één of meer schuldeisers. In rov. 2.12.1 heeft het hof m.i. terecht geoordeeld dat onder schuldeisers in de zin van art. 242 lid 1 Fw moeten worden verstaan alle schuldeisers. Zowel concurrente als bevoorrechte schuldeisers kunnen een verzoek in de zin van art. 242 lid 1 Fw doen2.. Voor het aannemen van die bevoegdheid van bevoorrechte schuldeisers is relevant dat bijvoorbeeld zekerheidseigenaars het faillissement van een schuldenaar ook kunnen uitlokken op grond van art. 1 Fw.3. Het heeft dan geen zin om deze groep schuldeisers van art. 242 lid 1 Fw uit te sluiten. Het onderdeel faalt.
6
De klachten onder 12 en 13 van het beroepschrift betogen dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, het beroep op niet-ontvankelijkheid van Agrenco heeft beoordeeld in het licht van de stelling dat Credit Suisse c.s. alle zekerheden zijn verstrekt en onder die omstandigheid Credit Suisse c.s. niet meer de in art. 242 lid 1 Fw neergelegde bevoegdheid zouden toekomen. Het hof is daarbij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het misbruik van recht. Voldoende belang bij het verzoekschrift (tot omzetting) en of het gedekt zijn van de vordering van de crediteur kan volgens de klacht wel een factor in de afweging zijn.
7
Het hof heeft in rov. 2.12.2 geoordeeld dat, nu Credit Suisse c.s. vorderingen op Agrenco hebben, zij daarmee voldoen aan het bevoegdheidscriterium van art. 242 lid 1 Fw. Voor een succesvol beroep op het ontbreken van belang of op misbruik van recht is het m.i. noodzakelijk dat blijkt van een bijzondere omstandigheid die de faillietverklaring in het betrokken geval onredelijk maakt. In de klachten 12 en 13 wordt m.i. een beroep gedaan op een omstandigheid die volgens art. 242 lid 1 Fw aan de bevoegdheid om faillissement aan te vragen niet in de weg staat (zie hierboven onderdeel 5 van deze conclusie). Een dergelijke omstandigheid is m.i. onvoldoende voor een beroep op misbruik van recht of op het ontbreken van een redelijk belang. De klachten falen.
8
Ook heeft het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, zich niet uitgelaten over het beroep van Agrenco op niet ontvankelijkheid van Credit Suisse c.s in het licht van het Braziliaanse herstructureringsplan, waarbij Credit Suisse c.s. partij zijn, aldus de klacht onder 15 van het beroepschrift.
9
Het onderdeel faalt. Het hof heeft in rov. 2.12.2 vastgesteld dat niet in geschil is dat Credit Suisse c.s. vorderingen op Agrenco hebben. Het middel legt voor mij niet duidelijk uit waarom het Braziliaanse herstructureringsplan dat betrekking heeft op dochters van Agrenco aan het geldend maken van de vorderingen van Credit Suisse c.s. door het aanvragen van het faillissement van Agrenco in de weg zou moeten staan. Anders dan klacht 16 stelt meen ik ook dat het oordeel van het hof in rov. 2.12.2 in het licht van partijdebat en hetgeen de rechtbank in haar vonnis onder ‘schuldenpositie van Agrenco NV’ heeft overwogen geen verdere motivering behoefde.
10
Middel 2 komt ook op tegen de rov. 2.10 tot en met 2.15 voor zover het hof daarin heeft overwogen dat de surseance moet worden omgezet in een faillissement. Het hof heeft geoordeeld dat de staat van de boedel zodanig is dat het niet gerechtvaardigd is de surseance te laten voortduren en het vooruitzicht dat de debiteur na verloop van tijd haar crediteuren zal kunnen bevredigen niet langer blijkt te bestaan. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de stellingen en weren en bewijsaanbiedingen van Agrenco.
11
Voor de vraag of de surseance moet worden ingetrokken en het faillissement moet worden uitgesproken dient het hof na te gaan — zoals het hof in rov. 2.13 heeft gedaan — of de stand van de boedel zodanig is dat handhaving van de surseance niet langer wenselijk is of het vooruitzicht, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen, niet blijkt te bestaan. Daarbij hoefde het hof m.i. niet in te gaan op de omstandigheden die door Agrenco zijn aangevoerd, zoals
- (i)
dat er overeenstemming is over het Braziliaanse herstructureringsplan, waaraan de crediteuren en ook Credit Suisse c.s. gebonden zijn;
- (ii)
dat de grootste crediteuren kunnen worden voldaan uit dat plan;
- (iii)
dat de situatie in Brazilië niet nijpend is, maar deze door Credit Suisse c.s. als slecht wordt gepresenteerd om te bereiken dat door een faillissement Glencore in een positie wordt gebracht dat zij het korte termijn krediet kan verschaffen en
- (iv)
dat Credit Suisse c.s. akkoord waren met terugbetaling van hun vorderingen als voorzien in het plan.
Agrenco was zelf geen partij bij het plan en ook de investering van Glencore heeft betrekking op de Braziliaanse dochters. De rechtbank heeft in haar vonnis onder ‘conclusie’ uitgebreid gemotiveerd waarom handhaving van surseance onwenselijk is en er daarbij op gewezen dat gedurende de looptijd (in elk geval veertien jaar) van het plan Agrenco niet op inkomsten vanuit de Braziliaanse dochters kan rekenen. Om die reden verkeert Agrenco de gehele periode in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. De stellingen van Agrenco doen niet af aan dit oordeel van de rechtbank. Het hof hoefde dan ook niet in te gaan op de stellingen van Agrenco, zodat het middel faalt.
12
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑03‑2011
Zie HR 7 september 1984, LJN: AG4859, NJ 1985, 51, m.nt. G en Wessels, Insolventierecht VIII (2007), par. 8230.
HR 29 november 1968, LJN: AC4898, NJ 1969, 250. Zie tevens HR 18 juni 1982, LJN: AG4412, NJ 1983, 1; HR 10 mei 1996, LJN: ZC2076, NJ 1996, 524.